OBERWART 2001
Oberwart 2001 door Manuel Nepveu
Wanneer je jaarlijks in de zomerperiode een toernooi wilt spelen en misschien ook telkens op een verschillende plaats wordt het op den duur "passen en meten". De vijf Promotianen die dit jaar hun krachten voor de zoveelste keer wilden meten met buitenlandse spelers van enig niveau hadden dit probleempje in milde vorm. Wat zijn precies de eisen van Bannink, Meijer, Broekman, Noordhoek en Nepveu? Een toernooi moet goed georganiseerd zijn, met de auto liefst in een dag te bereiken en in de omgeving moet wat te beleven zijn. Bovendien moet er een onderkomen gevonden kunnen worden dat niet zo duur is als het Hilton, rustig gelegen en op hooguit enige kilometers afstand van de speelzaal. Al deze eisen samen leiden ertoe dat elk jaar een toernooi wordt uitgekozen in Centraal-Europa. De spraakmakende toernooien waren in voorgaande jaren al bezocht, op eentje na.
Het jaarlijkse toernooi van Oberwart gelegen in het Oostenrijkse Burgenland verschilt van alle andere toernooien in een belangrijk opzicht: er wordt geen -pardon, nauwelijks -reclame voor gemaakt. Dit is misschien wel de reden dat de Promotianen die elk jaar in de zomerperiode het gevecht met "de groten" opzoeken niet eerder op het idee zijn gekomen. Het toernooi bestaat meer dan twintig jaar, is uitstekend bezet en is bij de beroepsjongens in trek. In Oberwart gaat men er van uit dat "tout le monde" het toernooi kent en men maakt er daarom ook geen reclame voor. De spelers komen toch wel, al sinds jaren dus.
Een blik op de kaart laat zien dat Oberwart nu niet bepaald op de hoogste alpentop ligt: Oberwart ligt duidelijk bezijden Oostenrijks kreukelzone. Het landschap rondom de plaats glooit echter wel en deze karakteristiek zet zich voort in Hongarije, dat op enige forse steenworpen afstand ligt. Een veelbereisde vriend waarschuwde me dat het landschap niet veel voorstelde, maar ik vond het liefelijk en aangenaam om doorheen te rijden.
Oberwart zelf is een locale hoofdstad met een regionale functie, zoals de bekende geograaf Noordhoek me met een ernstig gezicht onderwees. Op door de weekse dagen kun je je auto er bijna niet parkeren, maar in de weekends is het er dodelijk stil. Als ik de burgemeester, die natuurlijk bij het ceremoniële gedeelte van het toernooi kwam opdraven, mag geloven heeft het stadje zevenduizend inwoners. In Nederland zou de goede man weggerationaliseerd zijn.
Wij toernooigangers logeerden in Bad Tatzmannsdorf, een vlek op enige kilometers afstand. Iedereen in Bad Tatzmannsdorf leeft van de toeristen die dit Kurort om gezondheidsredenen bezoeken. De gemiddelde toerist is een lelijke vette Trien of een zichtbaar door de dood op de hielen gezeten sukkel. Zo ongeveer. Okay, ik overdrijf. Maar wij toernooigangers lagen qua leeftijd ver onder het toeristisch gemiddelde. Stuk voor stuk.
De pensionhouder van ons locale Hilton, "Pension Sabine" moet van veel en lekker eten houden, dat kan niet anders. Zijn blauwe sportbroek was met geen mogelijkheid over het hoofd te zien. Het mag een wonder heten dat ze ergens in Oostenrijk dat maatje verkopen.
Zijn vrouw heeft ook een broek aan, namelijk dè broek en onderhoudt met verve het contact met de gasten. Het was uitgerekend Bannink, wiens Duits al unieke trekjes vertoont bij het bestellen van zoiets simpels als een biertje ("ein grosse Bier für mi"), die bij het vormeloze wijf in de smaak viel. Zij sprak met een ontegenzeggelijk acteertalent eens de arme Bernard quasi-bestraffend toe, toen hij als gevolg van zijn extreme onhandigheid een sierfles had gebroken die al twintig jaar veilig op de trap had gestaan. De armste reageerde op haar verbale diarree vooral met zijn armen. Hij begreep haar vaak niet eens en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er meer dan enige concentratie vereist was om haar te kunnen volgen.
In Burgenland – hoe is het mogelijk -zijn letterlijk "tig" burchten. De burcht met kennelijk de meeste uitstraling ligt fraai op wat Oostenrijkers een molshoop zullen noemen en wij een berg. Güssing was aardig om te bekijken. Ik was verbaasd ergens op de schoorsteenmantel de buste van "onze" Grotius te zien prijken. Aantrekkelijke kopieën van Hollandse Meesters, vaak in miniatuurvorm, hingen in de vertrekken. Had een van de voormalige slotbewoners iets met de zeventiende-eeuwse Republiek?
Dat de streek meer dan eens het toneel was geweest van elkaar beoorlogende rivaliserende families en van opstanden werd ook duidelijk, maar deze burcht was meer belaagd door de tand des tijds dan door kanonskogels, die er heel martiaal opgetast lagen. Sinds de achttiende eeuw was men namelijk al uitgebreid aan het renoveren en restaureren geslagen.
Toeristisch gezien was een bezoek aan deze burcht het hoogtepunt. Een uitstapje naar het Hongaarse Szombathely (spreek uit: Zombateej) was eigenlijk alleen leerzaam vanwege de omzichtige reactie van grensbewakers die het zichtbaar heel verdacht vonden om vijf man in een auto te zien langskomen. Meijer maakte de vergelijking met een maffiabaas (wie!?), diens chauffeur en drie lijfwachten.
Zoals gezegd is er in Oberwart standaard een behoorlijk sterk schakersaanbod. Op iets meer dan honderd en zeventig toernooideelnemers waren er dit maal veertien GM’s, negentien IM’s, een WIM, een WGM en de nodige FM’s. De kans dat je al vroeg in het toernooi een sterke speler voor je kiezen krijgt is dus volop aanwezig en als je het ook overigens niet al te beroerd doet volgen er meer van dit soort smakelijke opponenten. Maar voor ik hier nader op in ga nog even iets over de plaats waar werd gespeeld. Dat was de "Hauptschule", een gebouw dat honderden leerlingen moest herbergen en dat navenant ruim van opzet was. Het is niet echt een hobby van me om stil te staan bij details aangaande toiletten. In dit geval moet ik echter een uitzondering maken. Wie namelijk het jongenstoilet in de Hauptschule binnenkwam kon een klaarblijkelijk door de schoolleiding op de muur aangebracht woord van Luther aantreffen, een aansporing namens de kerkhervormer om vooral toch beschaafd en "fijn" te werk te gaan.
Het was voor mij wederom een bewijs dat Luther een brede belangstelling voor het hele scala van menselijk handelen moet hebben gehad.
"Ei, scheissen kann wohl ein Jeder. So, ein sündiger Mensch ist ein stinkender Madensack, ein rechter Teufelsbraten. Aber ob er es fein und gesittet tuet, darin steckt wohl ein Körnlein Nächstenliebe."
’s Avonds laat of ’s morgens vroeg werd de indeling voor de aanstaande ronde opgehaald bij weer een ander gebouw en met de meegereisde database van Willem Broekman kon er dus precies gekeken worden wat je te wachten stond. Ook dit jaar was dat een nuttige service.
Zo bleek de bekende grootmeester Viktor Koepreitchik in het damegambiet de Ragozinvariant te spelen. Beoogd slachtoffer Bernard kon zich prima voorbereiden aan de hand van de door Koepreitchik gespeelde partijen en mede als gevolg daarvan had de Wit-Russische held een zware dag. De partij zal ongetwijfeld een keer in dit blad aan de orde komen en ik volsta hier met de opmerking dat Bernard mede dankzij de voorbereiding zijn tegenstander boven de afgrond heeft laten bungelen. Mogelijk had hij hem erin kunnen laten vallen.
In het toernooi deed een vrouwengrootmeester mee, de mooie Nikoletta Lakos uit Hongarije. In de derde rond mocht ik haar testen. De reisgenoten grapten voorspelbaar, maar ondanks hun wat al te nadrukkelijke aanbevelingen ging ik niet liggen. Ook deed ik mijn zwartlederen pakje met de tepelgaatjes niet aan voor de wedstrijd. De vrouwengrootmeester kwam gewonnen te staan, ik offerde manmoedig een kwal voor initiatief en toen deed La Lakos het zowaar fout. Mijn loperpaar hield haar stelling volledig in bedwang. In gierende tijdnood verloor ik echter alsnog mijn kop. Ik gaf een volle toren weg.
Noordhoek was in zijn benadering van dezelfde Hongaarse veel efficiënter. Hij kwam gewoon straalverloren te staan in een toreneindspel. Toen kwam voor beiden de tijdnood en hier beschwindelde Henk madam op een vreselijke manier. Hij won.
Wij zijn de resultaten van Nikoletta uiteraard blijven volgen en merkten bijvoorbeeld dat ze in de volgende ronde meteen maar weer een toreneindspel nam. Dit keer werd zij niet door haar tegenstander beschwindeld en won zoals het hoort.
Wat je in een toernooi heel treffend kan zien is dat iedere speler de welhaast onvermijdelijke tegenslagen op zijn eigen kenmerkende manier verwerkt.
Hans Meijer speelde een goede pot tegen een speler die zijn koningsveste in de loop van de strijd een weinig op de tocht zette. Hans ging diep, bracht een fraai pionoffer, maar overzag op het moment suprême iets waardoor de partij ineens langer ging duren dan strikt noodzakelijk geweest was. De tijdnood kwam aangegierd en op dezelfde schlemielige manier als ikzelf in de boven aangehaalde partij verblunderde Hans een toren. Ik stond er bij en keek er naar, net als in het grootse lied van de twee beren die broodjes smeren. Het notatiebiljet werd door de van adrenaline overlopende Hans op het bord gesmeten. De toernooileiding die bij het bord de wacht hield keek bedremmeld toe, evenals de tegenstander. Hans maakte zich pijlsnel uit de voeten. Na enige minuten keerde hij bij de plaats des onheils terug en begon te analyseren. Die avond en ook de volgende dag bleef de cruciale stelling op het analysebordje van mijn mederedacteur opduiken. Wij hadden bij de gemeenschappelijke analyse achteraf meer dan afdoende gezien dat hij huizenhoog gewonnen stond, maar Hans bleef naar varianten zoeken voor hemzelf en zijn al te fortuinlijke tegenstander. Gelukkig kreeg hij op die manier de frustratie uit zijn systeem en anders dan in Liechtenstein bleef hij gelukkig niet vier dagen lang zijn medereizigers bestoken met de zoveelste variant in een mislukt koningsdrama.
Henk Noordhoek doet het anders. Hij speelde in dit toernooi over het algemeen goed tegen sterke tegenstand, maar kreeg niet altijd loon naar werken. Tegen "Altmeister" IM Andreas Dückstein kreeg hij een goede, zeer goede stelling. De bejaarde Oostenrijker had domweg iets niet gezien en moest met twee pionnen minder de strijd voeren. Het is waarlijk een kunst apart hoe Henk zich alsnog liet overrompelen. Maar zijn houding na de partij straalde, zoals zo vaak, iets uit van "maar je weet toch dat ik niet kan schaken!". Henk verwerkt zijn verlies op voorhand, zo lijkt het. Henk is schlemiel "by default".
Willem laat weinig "Frust" merken. Hij haalt zijn schouders op als er wat misgaat, verkondigt dat zijn tegenstander erg sterk is, dat hijzelf slecht heeft gespeeld en gaat over tot de orde van de dag. Net als bij Henk is er zo te zien geen sprake van een hartstochtelijk lijden. Zij zijn degenen die vooral berusten.
Ook Bannink heeft dat trouwens wel over zich. Remise en winst op een IM, een vette plusremise tegen een gerenommeerd grootmeester, het zijn resultaten waarmee je thuis kunt komen. Maar tegen de overige drie meesters haalde hij een nul, waar winst respectievelijk remise en nogmaals remise alleszins mogelijk waren geweest. Hij droeg zijn nederlagen gelaten.
Ikzelf had enige minuten de pest in nadat ik had geblunderd tegen Nikoletta, maar ik wist dat winst of zelfs remise eigenlijk niet verdiend waren. Daarom kon ik er snel vrede mee hebben. Erger vond ik het dat ik in een ronde waar een bezoek aan een Kurbad aan voorafging remise toestond aan een (school)meester uit Oberwart. De goede man was een positionele kruk die nooit of te nimmer mee zou kunnen in de voormalige eerste groep van de interne competitie. Maar ik zat tegenover dit smakelijke hapje rozig achter het bord. Te lang met mijn tere hoofdje in de Zon gezeten? Mijn concentratievermogen was gering en zelfs de altijd voorhanden druivensuiker kon daar niets aan veranderen. Bannink liet achteraf bij de gezamenlijke analyse onmiddellijk zien hoe ik middels een kwaliteitsoffer vermoedelijk had kunnen winnen. Het idee was tijdens de partij niet eens bij mij opgekomen.
De laatste ronde was wel komisch. Ik werd ingedeeld tegen een elfjarig jongetje dat uitgesproken helder uit zijn kijkgaten loerde. Uit zijn weerstandspunten maakte ik op dat hij waarschijnlijk tegen getitelde tegenstand moest hebben verloren, maar dat hij tegen de zwakkeren had uitgehaald. Wiebelend op zijn stoel, sabbelend aan tabletten druivensuiker en onhandig lurkend aan een veel te grote fles limonade zat hij tegenover mij. De Franse ruil, zonder nadenken. Snel, oordeelkundig en uiterst efficiënt haalde de dreumes alle eventuele gevaren uit de stelling. Lang nadenken deed hij niet. Als oudje weet je wat je dan moet gaan doen. Ik probeerde derhalve de jongen alsnog te verschalken door een (vierpaarden)eindspel in te gaan. Niet dus. Dreumes wenste niet met de pootjes omhoog te gaan liggen.
Na afloop analyseerde en praatte ik met hem. Hij speelt al ruim drie jaar toernooischaak, wordt getraind door de Oostenrijkse IM Danner en zal meedoen aan een WK voor de jeugd.
Simon Fandler. Onthoudt die naam!
En dan tenslotte de hamvraag: hoe is iedereen geëindigd? Ik begin maar met mezelf. Mijn beginplaats op de ranglijst was 97 en ik eindigde op nummer 107. Vier uit negen. Vier sterke titeldragers. Tegen grootmeester Zelcic hoefde ik pas na vierenzeventig zetten te abandonneren. Voor deze partij hoef ik me niet te schamen en dat doe ik dus ook niet. Over de kwaliteit van de partijen tegen de andere titeldragers kan ik niet tevreden zijn. Drie zwakkeren zette ik vrij vlot van het bord. Trouwens, waarom speelt de hele wereld de Franse Ruilvariant tegen mij? Vinden ze me niet lief, of zo?
Henk was het toernooi op plaats 82 binnengekomen, finishte als nummer 99. Ook hij haalde vier uit negen. Zijn verweer tegen de sterkeren was bij tijd en wijlen prima, maar ergens onderweg ging er bijna altijd wel wat fout. In een aantal partijen kreeg hij misschien te weinig. In eentje kreeg hij, zoals boven al besproken, duidelijk te veel. Tot zes maal toe moest hij een internationale Elo-drager bestrijden, tegen de anderen had hij daarentegen honderd procent. Tegen de Duitse FM Peter Dittmar speelde hij een eindspel van "P plus pi tegen D" wat lang door. In tegenstelling tot die andere Henk jaren geleden in Velden verloor hij dat gewoon.
Willem was gestart met rugnummer 66 en hij eindigde met 95. Vier en een half uit negen.
Hij was met het vertoonde spel noch het resultaat tevreden en dat is te begrijpen. Niet een van zijn partijen sprak tot de verbeelding; ik kan me er op het moment van schrijven zo goed als niets van herinneren.
Bernard startte op plaats 55 en eindigde op plaats 50. "Vijf uit negen" luidde het uiteindelijke vonnis. Maar de score zegt niet altijd alles en dat gaat in zijn geval voor de volle honderd procent op. Zoals boven al gezegd, remise en winst op een IM, een plusremise tegen een bekende houwdegen uit het grootmeestersgilde na indrukwekkend spel. Bernard was hier degene die met dame tegen toren en loper remise mocht aanbieden en Koepreitchik mocht gedwee accepteren. Opzitten en pootjes geven!
Op een gegeven moment stond Bernard op 5 uit 7 en als het toernooi daar was gestopt had hij vast en zeker ook in zijn eigen beleving een wereldtoernooi gespeeld. De laatste twee ronden waren net teveel. Wij toernooitijgers zijn het er allemaal over eens dat Bernard "gewoon" FM-sterkte heeft. Nu het titeltje nog.
Meijer begon op plaats 52 en eindigde op 46. Hij heeft in alle partijen strijd geleverd en hij zat met plezier te spelen. Hij mocht in de eerste ronde tegen de bekende Hongaarse grootmeester Farago, maar wist al vlak na de opening dat hij het in deze partij niet zou redden.
Als hij komend jaar zo in het eerste speelt als in dit toernooi moet hij het iedereen dun door de broek kunnen laten lopen. Dat hij een half puntje boven Bernard is geëindigd vinden we met één uitzondering allemaal hartstikke leuk. Maar de prestaties van Bernard zijn hoger te waarderen. Eerlijk is eerlijk.
MN
