ARTICLE74
DOCTOR DOCEERT
XLII De Franse Ruilvariant door Manuel Nepveu
Ik pak de draad weer op. Deze rubriek heeft een tijdje in de ijskast gezeten en degenen die vinden dat hij daar had moeten blijven kunnen nu verdergaan met het volgende stuk. Veel plezier! Een naamswijziging zoals ik die zelf een paar jaar geleden heb voorgesteld op een inktzwart moment (“Knoeier doceert”) vindt om redenen van intense ijdelheid niet plaats en ik blijf in deze rubriek schaakfenomenen onderzoeken die mij interesseren en die wellicht ook voor anderen aardig zijn. Aan het werk dus!
In het vorige nummer van het clubblad hebben de reislustige Promotianen die in de zomer naar Oberwart getogen zijn flink van zich doen spreken. Broekman, Bannink en Meijer hadden volop te melden, vaak in optimistische toonzetting. Ikzelf zat wat te “sikkeneuren” en beklaagde mij er weer eens over dat de hele wereld de Franse Ruil tegen mij meent te moeten spelen. Over de Franse Ruil wil ik het nu maar eens hebben.
De grote kenner van het Frans, de Duitse GM Wolfgang Uhlmann heeft in 1991 een alleraardigst boekje doen uitgeven met zestig van zijn beste Franse partijen, op variant geordend. Ieder van de varianten wordt ingeleid met een leerzaam stukje. Enigszins tot mijn verbazing wist hij ook vijf redelijk interessante partijen te produceren met de Ruilvariant. Die verbazing mag duidelijk zijn: de Franse Ruil heeft de naam een remisewapen te zijn, geschikt om de wakkerste tegenstander achter het bord naar Dromenland te helpen op een minstens zo effectieve wijze als de alom bekende heer Klaas Vaak. Laat ik de inleiding van Uhlmann hier voor U vertalen:
“Dit is een variant die sterk naar remise tendeert. De reden daarvoor ligt in de vroege opheffing van het centrum. Er ontstaat een star pionnenskelet, dat in de loop van het spel nauwelijks getransformeerd kan worden. Als gevolg hiervan bepalen de lichte stukken het spel. Bijzondere aandacht verdienen de lopers, omdat ze op de lange diagonalen op verscheidene manieren kunnen worden opgesteld. Daar Wit zijn stukken een zet eerder moet opstellen, heeft Zwart de kans om bij de opstelling van de paarden iedere symmetrie te vermijden. Een verdere mogelijkheid om spanningen te creëren ligt in tegenovergestelde rokades. Men dient te waken voor de illusie dat de afruilvariant absoluut garant staat voor remise. Zoals mijn kleine bloemlezing laat zien, kan ook een minimaal voordeeltje tot winst worden verdicht.”
Veel spelers zijn op de hoogte van de remisetendentie van de Ruilvariant, maar ze realiseren zich niet altijd dat ze dan ook wel goed moeten blijven schaken. Tegen de sterkere tegenstander blijft het oppassen. In partijen tussen gelijkwaardige spelers realiseert de man met de witte stukken zich meestal wel dat hij beter af is met andere varianten als hij een vol punt nodig heeft.
Als Zwartspeler moet men zich in voorkomende gevallen altijd afvragen waarom de tegenstander de afruilvariant kiest. Wil hij die avond eigenlijk liever voetbal kijken en hoopt hij dat hij na tien lullige zetjes naar huis kan? Of is hij een angsthaas die gehoord heeft dat je op deze manier dichtbij een remise bent? Wanneer men in de loop van een toernooi met de Ruilvariant geconfronteerd wordt is het meestal niet moeilijk de motivatie van deze keuze te doorgronden, maar dan ook helemaal niet. In de zomertoernooien die ik nu al weer jarenlang bezoek zijn het altijd en eeuwig de zwakkere spelers die voor deze variant kiezen en ik kan naar eer en geweten zeggen dat ze meestal niet krijgen wat ze hebben willen. Jongstleden zomer in Oberwart werd ik tot drie maal toe met de Franse Ruil geconfronteerd. Alleen mijn tegenstander van de laatste ronde kreeg geen nul (zie mijn verslag in het vorige nummer van ons blad).
Het moge duidelijk zijn dat de Zwartspeler zijnerzijds zijn taak niet te licht mag opvatten. Hij mag niet zichtbaar gaan zitten balen, maar hij mag ook niet denken dat hij die avond automatisch een lichte partij zal spelen. Misschien moet hij nog wel flink aan de bak, maar als zijn tegenstander echt zwakker is, komt de beslissende misgreep vanzelf. Geduld is een schone zaak.
Van de vijf partijen die Uhlmann in zijn boekje laat zien zijn er vier gespeeld tegen zwakkere tegenstanders en slechts een tegen een ongeveer gelijkwaardige, de GM Velimirovic. Ik kreeg bij het naspelen de indruk dat Uhlmann alleen tegen Velimirovic iets listigs moest verzinnen, een tactische grap waar zijn opponent even geen oog voor had. In de overige partijen hoefde hij “alleen maar” als een grootmeester te spelen, voor hem “nothing out of the ordinary” dus.
Zoals gezegd, in Oberwart werd ik drie keer geconfronteerd met de Ruil. Een van die partijen illustreert dat de op remise beluste Witspeler er met deze keuze alleen nog niet is.
1 e4, e6 2 d4, d5 3 ed5x, ed5x 4 Ld3, Ld6 5 Pf3, Pe7 6 0-0, 0-0 7 c3, Lf5 8 Lf5x, Pf5x 9 Dc2, Dd7 10 Te1, Pc6 11 Le3
Dit is al een moment om even te pauzeren. Zwart heeft zich aan het adagium van Uhlmann gehouden en is symmetrie uit de weg gegaan. Maar dat deed hij niet zomaar. Hij stelde zich zo op dat de lopers der witte velden konden worden afgeruild. De loper van de witte velden is voor Wit van belang als hij nog eens iets leuks wil gaan doen tegen de vijandelijke koning. Maar hij raakt deze loper kwijt. Dat is nauwelijks te vermijden, want de loper terugtrekken op e2 is zuiver tempoverlies. Dit is als een klein succesje voor Zwart te beschouwen. Wit heeft zijn loper der zwarte velden nog wel. Deze loper is “officieel” zijn slechte loper. Strikt genomen kan daarvan pas gesproken worden als de pionnen vastgelegd zijn, maar wel is al duidelijk dat er voor Wit niet zo veel mogelijkheden zijn deze loper actief in te zetten. Op zet 11 zet Wit de loper op e3 neer, kennelijk om zich verder te kunnen ontwikkelen. Later moet hij op zoek naar actievere posities.
11…, Tfe8 12 Pbd2, h6 13 a3, b5 14 h3, Pa5
Tijdens de partij had ik de indruk dat de witte zetten met de randboertjes werden gedaan bij gebrek aan concrete plannen. Zwarts 12…,h6 heeft daarentegen een concreet doel: veld g5 wordt ontoegankelijk gemaakt voor loper en paard van Wit. Zwart gaat nu de damevleugel vastleggen, waarna hij zich kan concentreren op meer concrete acties in het centrum en op de koningsvleugel. Ook daarin zal de twaalfde zet van Zwart nuttig blijken.
15 b4, Pc4 16 Pc4x, bc4x 17 a4, c6 18 a5, a6 19 Ld2, g5!? 20 g4?
Met zijn laatste zet produceert Wit een echo van de laatste zet van Zwart. Maar waar de zwarte zet nauwelijks gevolgen heeft voor de veiligheid van zijn koning, is dat beslist niet het geval voor de echo-zet. Integendeel, velden f4 en (vooral) h4 worden verzwakt en het paard van Zwart kan daar goed terecht. Het aangevallen paard moet wijken. Waarheen? Hier passen wij de ooit kranig geformuleerde regel van Meijer toe: je moet kijken waar je op den duur met het paard heen wilt. Welnu, we willen naar f4 of h4, en dus:
20…,Pe7(!) 21 Pe5, Le5x 22 Te5x, Pg6 23 Te8x+(?), Te8x 24 Le3, Ph4 25 Tf1, Te4 26 Dd1(?)
Het paard is inderdaad op het veld h4 aangekomen en controleert twee velden in de onmiddellijke nabijheid van de witte koning. Met zijn vijfentwintigste zet schept Zwart daarom een onmiddellijke dreiging waar Wit iets aan moet doen. De sterkste verdedigingszet tegen het torenoffer op g4 was 26 De2 geweest, ofschoon Zwart ook dan op de rand van winst staat. Na de tekstzet gaat het breekwerk direct beginnen en het verschil in stukkenactiviteit is binnen de kortste keren stuitend. Verder is er nòg een oogstrelend verschil. Zwarts koning staat intens bloot te wezen op g8, maar geen hond die hem iets kan maken. Wits koning heeft al zijn vriendjes om zich heen verzameld, maar toch gaat het in zijn geval louter en alleen om stervensbegeleiding.
26…, f5! 27 gf5x, Df5x 28 Kh2, Pf3+! 29 Kg3, Th4 30 Th1, g4 31 Lf4, Dh5 32 Kg2 (een bok in verloren positie) , gh3x+ (0-1)
Bij de analyse achteraf met alle “Oberwart-gangers” werd nog 32 De2 voorgesteld met duidelijke bedoelingen. Dat was inderdaad een stuk fraaier geweest. Na 32…,Th3x+ 33 Kg2, Ph4+! 34 Kg1, Th1x+ volgt mat in twee.
MN
