Laatste ronde

De laatste ronde

De laatste ronde door Manuel Nepveu

Ik mag graag naar boksen kijken. Sommige (maar niet alle) lezers zal dat licht verbazen. Boksen is toch een ijselijk triviale sport? Boksen is toch het op elkander losbonken van twee tot aan de nok toe met adrenaline gevulde lijven? Daar haalt een redelijk mens toch zijn neus voor op? En een intellectueel toch helemaal?

Dat nu staat te bezien. Wie ooit de grote Ali door de ring heeft zien dansen, wie ooit Marvellous Marvin Hagler met Tony Hearns in de slag heeft gezien, kan tot geen andere conclusie komen dan dat pugilistiek op het hoogste niveau minder triviaal is dan het lijkt. Goed boksen is explosief ballet voor twee heren, een wrede kunstvorm.

Het aardige is dat een bokspartij in principe tot en met de laatste ronde spannend blijft. Ook wie huizenhoog voor staat op punten kan door een stoot in de laatste ronde net iets te stevig tegen het canvas gaan en alsnog de partij verliezen. De gelijkenis met het schaakspel is evident.

Welnu, de laatste KNSB-ronde van dit seizoen was in niets met boksen te vergelijken. Na de voorlaatste ronde stonden in klasse 2B zowel kampioen als degradanten vast. Alleen grove sportieve nalatigheid van onze kant zou daar op reglementaire wijze nog verandering in kunnen brengen. Vorig jaar was alles nog heel anders geweest: in de laatste ronde moest toen door Promoties "eerste tal" absoluut de knock-out uitgedeeld worden om niet te degraderen. En zo geschiedde het ook. Nu echter mocht het eerste gewoon met 0-8 verliezen of een virtuele voorsprong op punten deerniswekkend weggeven, in het promotie/ degradatiespel kon het allemaal niet meer terzake doen.

De teamleider van Weenink verwelkomde ons met de enthousiaste opmerking dat het voor hem niet had gehoeven, maar dat de bond het spelen van ook deze ronde nu eenmaal vereiste. Zijn onhandige eerlijkheid zette de toon voor die middag. Hij meldde dat zijn team niet compleet was, dat de eerste bordspeler was verhuisd naar het oosten des lands, dat de zoektocht naar een vervanger middels zeven telefoontjes geen invaller had opgeleverd en dat hij het niet zinvol achtte om mensen uit het derde en vierde te gaan mobiliseren. Na deze bezielende woorden wist ik in ieder geval dat Promotie een mooie middag tegemoet ging.

En Bernard Bannink wist dat hij die middag geen enkele fout zou maken. Toch bleek bij herhaalde, nauwkeurige telling het aantal onzer opponenten niet zeven te zijn, doch slechts vijf; Ahlers en ik liepen zowaar het risico om in Bernards lot te moeten delen of -erger nog – verplicht te zijn met hem de stad in te gaan. Andermaal mocht de teamleider naar de telefoon grijpen. Na een dik kwartier dan kwam teamlid nummer zes binnen. De bedoelde tegenstander van Ahlers liep eerst wezenloos de speelzaal rond, zoals een langpootmug die eerst tegen alle muren opvliegt, ging toen naar de wedstrijdtafel en kwam met een slaapdronken gezicht tegenover mij zitten. "Eric Schoehuis". "Dag meneer Duijker", riposteerde ik, waarna ik dra weer tegen een lege stoel mocht aankijken.

Ikzelf zat eerst het veredelde hondenhok waar wij speelden rond te kijken en uit verveling ging ik tenslotte af en toe poolshoogte nemen bij invaller Eggink en zorgenkind Broekman. Invallend teamleider Eggink zou natuurlijk geslacht worden gelijk een kip zonder gouden eieren en Broekmans deelname was zuiver therapeutisch.

Mijn tegenstander verscheen na een dik half uur, toen ik me geestelijk al zat voor te bereiden op een dienende taak als koffiekoerier. Het werd een korte partij: na twee en twintig zetten had mijn tegenstander een verdacht, nee ziek, openingsexperiment overleefd en was de muziek uit de stelling. Remise. Nadat in een kaal nevenzaaltje waar een onttakelde bar stond nog vlug wat mogelijkheden op het bord doorgenomen waren, ontspon zich een discussie over de toekomst van het schaken. Een toeschouwer, in wie ik voormalig tegenstander Nuyen herkende, shockeerde me enigszins door te beweren dat de computer het bordschaak binnen dertig jaar tot een tweederangs bezigheid zou degraderen. De discussie liep uiteindelijk dood (onwil van mijn kant) en na een half uurtje ging ik maar weer eens bij het strijdtoneel kijken. Het stond reeds 4-1 voor Promotie. Waar mijn afwezigheid al niet goed voor is. Willem Broekmans therapie bleek uitstekend verlopen te zijn (spek en bonen smaken soms zoet), Meijer had een halfje gepakt en van den Berg had zijn tegenstander een akelige middag bezorgd. De verdere ontwikkelingen gingen vervolgens heel rap. Eggink verstoorde eerst mijn wereldbeeld ruw door twee hangende pionnen om te toveren in twee vrijpionnen, Ahlers toonde aan dat dit niet zijn seizoen was en de Waal deed wat hij bijna altijd doet: hij remiseerde kranig. Met twee matchpunten op zak stonden we om vijf uur weer buiten.

In de auto waarmee ik terugreed zat de onfortuinlijke Ahlers. Hij was dit keer de enige met serieuze averij en moest terugkijken op een rotseizoen. Meijer gedroeg zich sociaal door hem voor te houden dat er voor dergelijke omstandigheden een mooie en zeer bruikbare theorie was: Ahlers had vast en zeker steeds verreweg de sterkste tegenstander gehad en daarmee dus aan het teamsucces bijgedragen, ook met een eventuele nul. Uiteraard heb ik de stemming niet bedorven door onnodige kritische opmerkingen en onze KPN-manager wist natuurlijk ook wel beter. Hij zat zijn vak van het mensen motiveren uit te oefenen.

Dat een ongeluk zelden alleen komt bleek wel weer toen Ahlers zich gelaten liet ontvallen dat hij die avond ook nog eens een weinig benijdenswaardige sociale verplichting tegemoet ging. Ik had inwendig plezier en wist dat ik me eigenlijk moest schamen.

Over degradatie en promotie kun je flink blijven mijmeren en dat deden we dan ook.

Met z’n allen hadden de heren van Weenink een schamele twee matchpunten veroverd, met afstand het beroerdste resultaat in onze poule. Toch had het team een aantal sterke spelers in de gelederen, die bovendien over het hele seizoen steeds trouw waren opgekomen. Waarom kon het dan zo compleet mis gaan? Lag het aan die ene speler die klaarblijkelijk niet in topvorm verkeerde? Lag het aan die andere, op papier wel erg zwakke broeder? Was Weenink in dit veld van sterke tweede klasse teams inderdaad het lelijke eendje dat helemaal geen zwaan bleek te zijn? Wie het antwoord op dergelijke vragen weten wil kan via de webstek van de KNSB aan het cijfermatige materiaal komen dat hij voor zijn analyse nodig heeft.

Wat hij via deze webstek echter niet ontdekt, is dat de teamleider van Weenink de bezieling uitstraalt van een bord spinazie en dat de speelomgeving depressie en verval signaleert.

Goed. Ons eerste heeft zich met negen matchpunten wederom gehandhaafd in de tweede klasse met een alleszins acceptabele vijfde plaats in de veruit sterkste tweede klasse van dit seizoen. Ik weet trouwens precies hoe dat komt. Luistert!

Onze eerste acht spelers zijn allemaal heel sterk.

Onze invallers tonen ’s zaterdags hun ware aard en scoren zich helemaal te pletter.

Onze speelomgeving ademt de sfeer van wilde limoenen.

Onze teamleider lijkt in niets, maar dan ook helemaal niets, op een bord spinazie.

Ik heb gezegd.

MN

Scroll naar boven