Hoe het 50 jaar geleden begon

Hoe het vijftig jaren geleden begon

Hoe het vijftig jaren geleden begon                        door Frans Cayaux

 

feestrede uitgesproken tijdens de jubileumviering op 5 oktober 2002

 

In september 1944 op een zolderkamertje in Den Haag heb ik er voor het eerst kennis mee gemaakt. Twee onderduikers zaten daar te schaken. Halma, mens-erger-je-niet, ganzebord en dammen kende ik al, maar dit bordspel was iets nieuws.

Het boeide me meteen, maar ik begreep er nog niets van. Het werd me ook niet uitgelegd. "Schaken is niet voor kinderen," zeiden de mannen. Het was ver voor de Polgar-tijd, maar ze hadden natuurlijk best van Reschewsky gehoord kunnen hebben.

Nee dus.

Eigen initiatief is nooit weg, moet ik hebben gedacht en ik bezocht het tweede-handsboekwinkeltje schuin aan de overkant. Van de eigenaar kreeg ik voor een gulden een reeds beduimeld oud boekje: "Handleiding tot het Schaakspel", naar het Hoog­duitsch van G.R.Neumann, achtste druk bewerkt door H.J.den Hertog; uitgever G.B.van Goor, 1916.

Uit dat boekje heb ik mezelf toen schaken geleerd. Ik heb het nog steeds in mijn bezit, in een zwaar versterkte kluis bij een bekende bank. Een bod van € 3,5 miljoen van de Emir van Bahrein heb ik onlangs zonder aarzelen van de hand gewezen. Het boekje is nu natuurlijk onbetaalbaar.

 

Het eerste hoofdstuk begint als volgt:

" Het schaakspel behoort tot de zoogenaamde bordspelen, d.i. tot die spelen, welke op een daartoe opzettelijk vervaardigd bord door middel van een aantal stukken gespeeld worden. Deze bordspelen onderscheiden zich van andere spelen daardoor, dat het toeval op hun gang volstrekt geen of slechts in zooverre invloed heeft, als misschien omstandigheden van buiten op een der spelers of op beide inwerken. De hoofdzaak bij alle bord­spelen, en in buitengewone mate bij het schaakspel, is de persoonlijke intellectueele begaafdheid, de scherpzinnigheid en het combinatievermogen der spelers.

Het schaakspel gelijkt eene strijd tusschen twee even sterke en even goed geposteerde legers, waarbij iedere partij er op bedacht is, het opperhoofd der tegenpartij gevangen te nemen. Waar twee personen, die de bewegingen dezer beide legers leiden, er naar streven het genoemde doel te bereiken, terwijl zij ieder stuk afwisselend, volgens de daaraan eigen wijze van loopen en onder zekere voorwaarden, van het eene punt op het andere brengen, daar wordt een schaakpartij gespeeld."

 

Wat mij toen met mijn jongensromantiek het meest aansprak was natuurlijk het gevangen nemen van het opperhoofd der tegenpar­tij. Later, als ambitieuze adolescent, werd uiteraard de "per­soonlijke intellectuele begaafdheid" mijn drijfveer.

Nu ik me, in de herfst van mijn leven, de betrekkelijkheid van het schaakspel bewust ben geworden, is het voor mij voldoende om "ieder stuk afwisselend, volgens de daaraan eigen wijze van loopen en onder zekere voorwaarden, van het eene punt op het andere te brengen". En die voorwaarden houden samengevat in, dat het vooral leuk moet zijn.

Ik hoef nu niet zonodig meer opperhoofden gevangen te nemen of te blijven zoeken naar mijn persoonlijke intellectuele be­gaafd­heid. Ik laat dat over aan jongelui, zoals Willem Broekman  en Ruurd Kunnen. Maar ouderen zoals ik, kaal en grijs en met een bezonken verleden, wij glimlachen om al die kippedrift.

Wij relativeren, wij be­schouwen en wij hebben begrip. Van een abstracte, etherische hoogte kijken wij welwillend neer op al dat driftige gedoe dat zich afspeelt tussen a1 en h8.

In mijn filosofische werken heb ik dat om­schreven als de "attitude of genial understanding" (in de vakliteratuur nu bekend als AGU). De louterende werking die daar van uitgaat is niet alleen een verrijking van de eigen geest, maar ook welda­dig voor de omgeving. Een schaakvereniging met een of twee AGU-belijders onder haar leden gaat zich als een eenheid gedragen en wordt in hoge mate conflictbestendig (aangetoond door het recente onderzoek van de Berkely University in Cali­fornië en behandeld in het voortreffelijke boek "AGU or brain­damage, the ultimate choice in chess" van Prof. Michael Shri­nk, Pawn Press 1992.    

 

Terug naar 1944. Het schaakspel moest dus volgens Neumann worden gespeeld op "een opzet­telijk vervaardigd bord". Dat had ik dus niet. Ik heb ook nog lang gezocht naar onopzettelijk ver­vaardigde borden, maar had ook die niet kunnen vinden.

Aldus heb ik het moeten leren op een thee­doek. Een gerui­te theedoek natuur­lijk.

In de laatste jaren van de oorlog was het niet mogelijk om aan een normaal schaakbord met stukken te komen. Er was geen hout en geen geld. Daarom een thee­doek. Met 144 velden. Andere theedoeken waren er niet. Reden waarom ik het nog steeds behelpen vind met slechts 64 velden. Ik kan er maar niet aan wennen.

Lezers van mijn arti­keltjes in de laatste clubbladen is het al opgevallen, dat ik een keer in mijn analyses mijn e-pion naar e9 wilde spelen. En mijn koning een keer naar f9. Dat is nog niks. Achter het bord zie ik nog steeds combinaties zoals Lb1-k11 of Pg8-h10. Ook zeer lange rokades als 0-0-0-0-0 spelen door mijn hoofd. Op die theedoek kon dat indertijd allemaal.

 

De stukken maakte ik van brooddeeg. Door de oorlog na­tuur­lijk van een slechte kwaliteit brooddeeg, maar dat verhin­derde niet, dat je geslagen stukken gewoon kon opeten. Dat was namelijk een van de grote attracties van het schaken toen. In de hon­gerwin­ter van 1944/45 was het zelfs van levensbelang. Je had immers nage­noeg geen eten. Als je niet genoeg stukken sloeg dan haalde je de volgen­de partij soms niet eens meer.

 

            Terzijde. Mijn gedachten gaan even uit naar de jaren na de oorlog toen je chocolade negertjes kon kopen. Er waren negerjongetjes en negermeisjes te koop. Mijn zusje wilde altijd jongetjes. Omdat daar net iets meer chocola aan zat.

 

Terug naar die oorlogstijd. Als je wilde schaken, dan moest je dus wel eerst zorgen dat je vol­doende brood had gespaard om stuk­ken te maken. Iedere schaker speelde uitslui­tend met zijn eigen, zelfgeknede stukken. Jij at de geslagen stukken van je tegen­stander op en hij die van jou. Remise aanbieden was er natuurlijk niet bij, want daar loste je de honger niet mee op.

De zwarte stukken waren het gezondst, want daar zat norit doorheen. De witte stukken gaven nogal eens proble­men, omdat zij hun witte kleur ontleenden aan het gips dat door het brooddeeg was gemengd. Daar kon je geweldige ver­stoppingen van krijgen. Vooral als je een witte dame had geslagen en alle torens had geruild kon je rekenen op gigantische barensweeën.

Met mijn speelstijl hield ik daar rekening mee:

Als ik wist dat ik een tegenstander had met gevoelige darmen, dan speelde ik bij voorkeur met wit om dan vervolgens zo snel en zoveel moge­lijk stukken te offeren. Ook als het speltech­nisch niet ver­antwoord was. Immers, aan mat zetten kwam mijn tegen­stander toch niet toe, omdat hij binnen de kortst moge­lijke tijd krimpend van de buik­kramp moest opgeven. En opgeven beteken­de dat je dan ook je resterende stukken moest overdragen. Die kwamen uiter­aard ter con­sumptie aan de winnaar ter be­schikking.

Die indertijd zeer effectieve, maar thans irrelevante offer­stijl ben ik na zoveel jaren nog steeds niet hele­maal kwijt. Vandaar dat mijn ELO-rating nog altijd niet boven de 2600 is uitgekomen.

Maar goed, zo kon je tenminste schaken. Tot in december 1944 het brood begon op te raken. De stukken gingen steeds toen meer be­standdelen gips en norit bevatten. Vooral veel suksesvolle zwartspelers hebben de bevrijding dan ook niet meer mogen meemaken. Helaas. Zij hadden een ander soort bevrijding nodig die niemand hen kon geven. In Zwartsluis is voor deze stakkers kort na de oorlog nog een gedenkteken opgericht. Van gips.

 

Stukken opbergen was óók een probleem. Hout voor doosjes was er al lang niet meer. Aanvankelijk lieten we na het spelen de stukken gewoon op de theedoek ach­ter. Maar als dat binnenshuis was, werden ze ’s nachts door de muizen opgevreten en buitenshuis door de mus­sen. Dat hielp wel tegen muizen- en mussenplagen (die arme beesten hebben nooit geweten wat voor troep ze naar binnen kregen), maar voorlopig was je je stuk­ken wel kwijt.

Dus wikkelde ik, slim als ik toen meende te zijn, na het spelen de stukken strak in de theedoek. Maar als die theedoek kort tevoren nog door mijn moeder bij de vaat was gebruikt en dus nat was geworden, waren mijn broodde­gen stukken de volgen­de ochtend wel pap geworden! En met pap is niet te spelen! Echt niet. Je probeert nog wel wat in die kleffe massa te kneden, maar bijvoorbeeld en passant slaan is niet te doen. Een rokade evenmin. Zo’n rokade blijft gewoon aan je vingers zitten en met al dat gips krijg je het er ook haast niet vanaf. En je kan toch niet een hele dag met van die vieze rokadevingers blijven rondlopen.

Zelf heb ik toen een oplos­sing gevonden door de stukken in oude sigaren­blik­jes op te bergen. Onwetend van het feit dat blik op een gegeven moment kon worden opgevreten door de toen nog niet uitgeroeide blikmijt! (N.B. De blikmijt was verwant aan de beruchte staalmijt, die zich dwars door het frontpantser van de zware Duitse Tiger tanks heenvrat!)

Om de blikmijt te bestrijden moest je het blik regelmatig insme­ren met ooie­vaarskuitenvet, waar heel moeilijk was aan te komen omdat uit de kuiten van de weinige en vermagerde ooie­vaars die er toen nog waren haast geen vet meer kon worden gewon­nen.

Alles bij elkaar een heel gedoe dus. En onder die omstandighe­den moest ik dan, als jonge knaap van negen jaar, proberen het schaken onder de knie te krijgen. Letterlijk; want tafels en stoelen waren er niet meer. Die waren als brandstof verstookt. We speelden daarom op de grond, in ieder geval onder de knie dus. Je had zogezegd het schaken onder de knie. Vandaar dat gezegde.

 

Uiteraard hadden we ook geen schaakklokken. Om de speeltijd nu toch wat te bemeten hadden we daar wat op gevonden.

Een hele lange tuinslang werd zodanig in een spiraal gewonden, dat een knikker daarin heel langzaam van het ene naar het andere einde rolde. Als je aan zet was stopte je een knikker boven in de slang en binnen de roltijd moest je dan je zet doen. Rolde de knikker uit de slang voordat je je zet had uitgevoerd, dan verloor je de partij. Dan ging je niet "door de vlag", zoals dat nu heet, maar "uit de slang" (in het Engels "out of the snake"). Of je ging "van de knik­ker", zoals de schakers in de Betuwe toen zeiden.

Als het eerlijk ging had je voor een zet ongeveer dertig seconden. Ruim vol­doende voor snelle jongens met toen al weinig geduld.

Maar soms ging het niet eerlijk. Onsportieve spelers smeer­den die knikker zodanig met een bepaald soort vuiligheid in, dat hij extra langzaam rolde; zodat ze meer bedenktijd hadden. Deze lepe truc is de oor­sprong van het gezegde "stront aan de knikker". Inmiddels welbekend.

Stront aan de knikker werd overigens flink bestraft. Degene die werd betrapt moest zijn knikker inleveren, zonder stront natuurlijk, en moest verder spelen met een zwaar loden bal­letje. Op zich niet zo erg, ware het niet dat zijn tuinslang vanaf dat moment strak verticaal werd gehangen.

Het loden balletje deed over dat korte traject ongeveer een halve seconde. Tekort om met kleverige stukjes op een kleffe thee­doek een toreneindspel correct af te wikkelen. Iedereen kan dat beamen die weet wat een toreneind­spel op 144 velden is. Stel je eens voor. Je bent jong, je hebt dus nog korte armpjes en je moet binnen een halve seconde eerst besluiten of je Ta1-a12 of Ta1xk1 wilt spelen en vervolgens de gekozen zet ook nog uit­voeren. En dat terwijl je zwaar ondervoed bent.

Voor schakers was het afzien in de oorlog. Voor niet-schakers trouwens ook.

 

Met Neumann’s Handleiding probeerde ik mij wat te bekwamen in de openingstheorie. Dat ging moeizaam. Van het Koningsgambiet schreef Neumann: "Wit geeft, in het belang van eene krachtige spel-ontwikkeling, een Pion prijs. Deze opening, het zoog­enaamde Koningsgambiet, is in de practijk voor beginners te moeilijk. De levendige combinatiën, waartoe zij aanleiding geeft, zijn echter ten volle hunne aandacht waard". Ook andere openingen werden "den beginner ontraden". Ja, wat blijft er dan nog over? Je ging zelf wat bedenken. Afruilvarianten werden populair, omdat dan meteen de ergste honger kon worden gestild. Ook herinner ik me openingen als het Suikerbietgambiet, de Bloembolverdediging en het Gaarkeuken-Indisch.

De bezetter ging zich er ook mee bemoeien. Het spelen van sommige openingen werd verboden. Uiteraard eerst het Engels en het Russisch; later ook Italiaans, het Wolga-gambiet en de Leningrader. Hollands was weliswaar toegestaan, maar je mocht er niet mee winnen. En met het aanbevolen Göring-gambiet mocht je niet verliezen.

Op een gegeven moment werd bepaald dat ook de spelregels om politieke redenen moesten worden aange­past. Slaan mocht voort­aan alleen maar naar links, en alleen witte pionnen mochten promoveren.

Dat laatste maakte overigens in de praktijk voor een witspeler weinig uit, want als je bijvoor­beeld je kwijt­geraakte dame door promotie terug wilde krijgen, dan kon dat niet om de doodeenvoudige reden dat die dame natuurlijk allang was opge­geten.

Wel moet ik opmerken dat het consumeren van bloembollen voor schakers niet zonder bijwerkingen was. De tulpenbol met name had een merkwaardig effect op je mentale toestand: het werkte geestverruimend, maar blikvernauwend. Iets dat buitengewoon hinderlijk is als je het overzicht moet houden op 144 velden. Mijn oom Hugo kreeg van die tulpenbollen telekinetische gaven waarmee hij zijn stukken kon verplaatsen zonder ze aan te raken. Alleen rokeren lukte hem niet. Promoveren lukte ook niet, maar dat was voor hem geen probleem, want zover kwam hij nooit. Hij speelde slecht.

Overigens is Oom Hugo op tragische wijze aan zijn eind gekomen. In 1953 werd hij getroffen door een vallend schaakbord. Veld h8 was de doodsoorzaak.

 

Het werd er in het laatste oorlogsjaar allemaal niet makkelijker op. Zeker niet toen de weinige theedoeken die we hadden door het vele gebruik begon­nen te slijten. Er kwamen grote gaten in en aan verdere aan­passing van de spelregels viel aldus niet te ontkomen: er moest om de gaten heen worden gespeeld en pionnen, die de gaten natuurlijk niet konden ontwijken en door tempodwang toch moesten spelen, vielen er gewoon in. Die was je dus kwijt, al mochten ze door de tegenstander ook niet worden geconsumeerd.

Ooit heb ik nog eens op een doek moeten spelen dat door de vele slijtage-gaten nog maar twaalf velden had. Ver­spreid over het doek. We hadden daarbij afgesproken te spelen met elk slechts een koning, een paard en twee pionnen, zodat er nog vier vrije velden resteerden. Met het gereduceerde materiaal vol­doende voor redelijk spel.

Het werd een spannende partij. Mijn tegenstander offerde zonder succes zijn paard en mijn beide pionnen vielen in een gat. Uitsluitend met mijn paard heb ik tenslotte zijn koning mat kunnen zetten. Moet je eens proberen op een gewoon bord. Alleen met een paard! Kun je nagaan wat voor mogelijkheden er allemaal in een ver­sleten theedoek zitten!

N.B. Een replica van dat doek met de genoemde eindstand is nu te bezichtigen in het oorlogsmuseum te Over­loon.

 

Ik hoop dat mijn schaakvrienden nu een klein beetje begrip kunnen opbrengen voor mijn – na vijftig jaren schaak – nog steeds wat merkwaardige speelstijl. Voor mijn onverantwoord offeren van stukken, vooral met wit. Voor mijn chronische illusie dat het bord groter is dan 8 x 8 en voor de vertedering die nog altijd door mij heengaat als ik een oude thee­doek zie. Met lyrische nostalgie denk ik nog vaak terug aan die vroegere schaak­tijd. Hoe ik daar onder het vertrouwde, zacht rollende geluid van een knik­ker, smakelijk kauwend op een zojuist gewonnen dame, met een versleten theedoek onder de knie en een vieze rokade van de vorige dag nog aan mijn vingers, een mat in 17 zetten kon aankondigen in een gecompliceerde stand op 144 speelvel­den. Dat waren me nog eens tijden!

 

P.S. Ik kan mij voorstellen dat meelevende lezers mij nu een plezier willen doen met een oude theedoek. Ik waardeer zo’n geste bij voorbaat, maar laten ze die moeite niet nemen.

Ik ben al in het bezit van een uitgebreide verzameling. Ik heb zelfs theedoeken uit exotische landen, zoals Tonga en Burkina Faso. Ik heb er een van Euwe, een van Yasser Arafat en een hele bijzon­dere die ik van Judit Polgar heb gekregen. Zij heeft er weliswaar nooit op gespeeld, maar zij heeft er Hans Ree mee afgedroogd.

Mijn enige wens is om nog eens een doek van Picasso in mijn bezit te krijgen. Wie kan mij helpen?   

 

                                                                                                                               Frans Cayaux

 

 

Scroll naar boven