Harmonie

Promotie in de pers

Schaakartikelen uit het schaakblad van de vereniging PROMOTIE uit Zoetermeer

Harmonie door Manuel Nepveu

Laat ik er maar eerlijk voor uitkomen. In de afgelopen oktober, november en december heb ik op de schaakclub gespeeld als een natte krant. Ik was niet het boosaardige, linke oudje dat ik normaal en met veel genoegen ben. Niet al mijn tegenstanders schijnen dat te hebben doorzien. Een speler bleek bijvoorbeeld zo gelukkig met zijn bliksemoverwinning op mij dat hij de bewuste partij integraal op de webstek van de club zette. Wat hij zich niet realiseerde was dat hij tegen mijn schim had gewonnen, niet tegen degene die hem op nullen pleegt te trakteren.

Bij mijn invalbeurt in het eerste, in december, had ik Zwart toebedeeld gekregen. In principe was dat geen onverstandige beslissing van de teamleider. Mijn lijfopening kwam op het bord waarmee ik in de loop der jaren horden spelers heb mogen vermoorden. Maar deze middag ging het iets anders: ditmaal vermoordde ik mijzelf en wel met vaste hand. Die avond, bij de aanpalende Griek, werd er gesuggereerd dat ik niet veel van de opening begreep. Het is mij ontschoten wie deze suggestie deed, maar als ik zijn naam ontdek ga ik hem in de beste Nederduitse traditie een doorgeladen pistool opsturen, verborgen in een doos Franse frietjes.

Toch had deze zaterdag ook een goede kant. Bernard bannink was verrast. Ik stond zo lekker. Dat ik dat nou moest verliezen. Ik sputterde tegen, maar Bernard hield vol. Hij gaf zijn visie op de kritieke stelling en die was optimistischer dan de mijne. Weinig konden wij bevroeden dat deze discussie nog in hetzelfde kalenderjaar vrucht zou dragen.

Op tweede kerstdag om half zeven des morgens zat ik in mijn vurige bolide op ’s Rijks wegen. Het was donker, slechts weinig automobilisten volgden hetzelfde plan als ik. Tussen Amersfoort en Zwolle, waar geen verlichting is, was ik ondergedompeld in diepe duisternis en ik genoot. Als vanouds, mag ik wel zeggen. Het licht begon aan de einder te gloren ergens tussen Zwolle en Assen, een subtiele welkomstgroet door Hare Majesteit de Natuur zelve. Mijn bolide stampte betrouwbaar door. Aan de horizon verscheen het relief van de stad die ik al eens eerder in dit blad de Parel van het Noorden noemde. Tegen negen uur draaide ik de parkeerplaats op van het hotel waar ik reeds negen keer eerder onderkomen had gevonden. Vanaf deze dag tot en met de dertigste zou ik hier in Groningen een mini-toernooi spelen. Voor de tiende keer zelfs. Maar dit keer was niet de Martinihal de plaats van het grote slachten en ook niet een schoolgebouw, welwillend ter beschikking gesteld. Neen, de "offerplaats" was een novum voor de decembertoernooien: het Harmoniegebouw. Heilige grond!

Het Harmoniegebouw was de plaats van het eerste echte grote toernooi van na de oorlog waarbij (bijna) iedere grootheid van die dagen acte de presence gaf, het Stauntontoernooi.

Bovenstaande stelling kwam in dit toernooi, in het Harmoniegebouw op het bord, de stelling waarin de partij Botwinnik-Euwe werd afgebroken op zaterdag de vierentwintigste augustus negentienhonderd en zesenveertig, na de eenenveertigste zet van Zwart.

Dit is een stelling die in alle boekjes over toreneindspelen staat en die je als serieuze schaker gezien moet hebben. Hij is verrassenderwijs niet voor Zwart gewonnen.

Maar ook de partij Euwe-Yanofsky werd hier op het bord gebracht, met dat daverende eindspel met ongelijke lopers dat via een miniscuul foutje toch nog voor de Canadees verloren ging. Ook dat eindspel staat in heel wat leerboeken.

En tenslotte werd hier de ogenschijnlijk kalme maar intens gemene partij Smyslov-O’Kelly gespeeld waarop ik een beetje verliefd ben en die ik in een eerdere aflevering aan U heb voorgesteld ("Juffrouw Nifterik", Jaargang 48 nr.3).

En op deze heilige grond werd nu dus weer een schaaktoernooi georganiseerd. Niet in dezelfde zaal, wel op dezelfde kavel aan de Oude Kijk in’t Jat straat.

Ruim op tijd was ik ter plekke. Bij binnenkomst in de zaal waar de "mini’s" gespeeld zouden gaan worden keek ik aan tegen een achterkantje met een paardenstaart. Ik wist direct wie de eigenaresse was. Even verderop ontwaarde ik Pa: de van Niesjes waren present.

Ik zal U mijn eigen wederwaardigheden op het schaakbord kort vermelden voordat we naar een partij gaan kijken. Ik speelde in de Mini-A groep, zoals altijd, en ik was deze keer als dertigste geplaatst van de achtendertig deelnemers. Over mijn sportieve vorm heb ik boven al verhaald. Zou mijn aanwezigheid alhier een complete aanfluiting worden?

Mijn tegenstander in de eerste ronde was de jonge Matthew Tan, jeugdkampioen tot veertien jaar. Hij koos met Wit een minder gebruikelijke opstelling tegen de Winawervariant van het Frans, speelde in het middenspel volgens het stramien "Daar staat de koning; grijpt hem!", overspeelde zijn hand en werd mat gezet. Dit was een mooi begin en uit de reacties van tal van schaakvrienden bleek dat men dit resultaat niet bij benadering had verwacht.

In de tweede ronde mocht ik met Wit, overspeelde mijn tegenstander in een Catalaan volledig en incasseerde een kwaliteit. Maar vervolgens bleek het lastig om een goed vervolg te vinden en ik begon bedenktijd te vreten. Een psychologisch goedgetimed remisevoorstel van mijn tegenstander heb ik toen maar aangenomen. De volgende morgen vertelde mijn tegenstander met enige spijt in zijn stem dat hij het was die in de slotstand wat beter stond.

Over de derde partij kom ik later te spreken. Ik won.

In de vierde ronde mocht ik tegen mijn meermalige tegenstander Frans Wolferink. In een Lg5-Grünfeld werd ik met een pionoffer geconfronteerd dat door een computer onmiddellijk wordt aangenomen en door een menselijke speler hoogstens na lang zweten. Aangezien ik iets dergelijks al eens eerder had meegemaakt en begreep dat Zwart wel veel tempi zou gaan winnen heb ik niet toegetast. De partij eindigde vrij vlot in een puntendeling.

In de vijfde ronde was Marcel Wubben mijn tegenstander. Vorig jaar won hij deze groep.

In een Nimzo-Indiër met Zwart kwam ik in een variant terecht die ik eigenlijk niet zo ambieer, maar ik ging verder wel lekker. Ook deze pot eindigde in een puntendeling. Ik wist dat ik de ratingprijs in ieder geval te pakken had. Ik bleek op de gedeelde 5-9e plaats geeindigd. Aangezien ik met mijn dweilrating als dertigste van de achtendertig was geplaatst zat het er wel in dat ik voor de ratingprijs in aanmerking kwam. Dat mooie vermoeden kwam helemaal uit.

Op grond van dit toernooi zal ik zo’n vijftig ratingpunten moeten winnen: ik kom weer een beetje onder de mensen.

En dan tot slot de partij uit de derde ronde. Het was mijn beste in Groningen en er bestaat een verband met iets dat ik in de inleiding heb geschreven.

P.Batenburg (2110) – MN, ronde 4 Mini A, 28-12-2002

Frans

1 e4, e6 2 d4, d5 3 e5, c5 4 c3, Db6 5 Pf3, Pc6 6 a3, c4 7 Pbd2, f6 8 Le2, fe5x 9 Pe5x, Pe5x 10 de5x, Lc5 11 0-0, Pe7 12 b4, cb3x ep 13 Pb3x, 0-0 14 Pc5x, Dc5x

Wanneer analoge klokken worden klaargezet voor een partij wordt er steeds voor gezorgd dat de wijzer voor de vlag staat. De spelers krijgen dus altijd ietsje meer tijd dan hun volgens het toernooireglement toekomt. Welnu, mijn vlag was nog in horizontale positie toen ik mijn veertiende zet had gedaan. Ik gaf mijn tegenstander bewust te kennen dat ik me op bekend terrein bevond. Het nadenken was nog niet begonnen, althans niet bij mij. Mijn tegenstander had er al een klein kwartiertje op zitten. Na de partij vertelde hij over welke zetten hij had nagedacht: hij was duidelijk niet op bekend terrein.

De nu ontstane positie had ik ook op die zwarte decemberzaterdag op het bord gekregen en ik bleek toen in staat om mijzelf vanuit deze stelling razendsnel te vermoorden. Dat was op zijn zachtst gezegd vreemd, want in de interne had ik deze positie al twee keer op het bord gehad, met een remise aan het eind van de rit. Bovendien is het een theoretische stelling die behoorlijk onderzocht is. De stelling is tevens die waarover Bannink en ik aan het discussiëren sloegen. Bernard tilde zwaarder aan zekere positionele kenmerken dan ik en na de partij bleek dat mijn huidige tegenstander ook op de lijn van Bernard zat. In de post mortem toonde hij zich ontevreden met deze stelling en het werd me toen pas duidelijk dat hij de hele partij om een prettig plan verlegen had gezeten. Hij had geen leuke middag gehad.

15 Le3, Dc7

Kan Zwart niet gewoon slaan op c3? Vast wel. Fritz7 kijkt daar dan ook onmiddellijk naar zonder boos te worden op Zwart. Ik houd er niet van. Die kleine rotpion kan me op dit moment niet bekoren. Liever doe ik nuttige zetten dan dat ik mijn tegenstander mooie zetten laat doen als gevolg van de maaltijd op c3.

16 Ld4, Ld7

Ik heb gekeken naar 16…, Pg6 17 Ld3, Pe5x 18 Lh7x+, Kh7x 19 Dh5+, Kg8 20 Le5x! en hier werd ik niet gelukkig van. Als Zwart wat wil moet hij eerst maar eens een van de hoofdproblemen in het Frans oplossen: zijn loper moet eruit.

17 Ld3, Tf7 18 Tb1, b6 19 Dh5, g6 20 De2, Taf8 21 Tbc1, Pc6

Mijn tegenstander begon zich steeds minder senang te voelen. Het paard kan ooit via a5 naar c4 en als dat op het juiste moment gebeurt neemt het lijden van Wit eerst recht onaangename vormen aan. Tevens oefent Zwart druk uit langs de f-lijn.

22 f3, Dd8 23 De3, De7 24 c4

Wit wil een mogelijke "verstopping" op veld c4 voorkomen door de pion op te spelen.

Merk op dat dit probleem van dreigende congestie nooit aan de orde was geweest als Zwart zich op zet vijftien had bediend op c3. Misschien iets om in het achterhoofd te houden bij dergelijke beslissingen: nu nemen met compensatie voor de tegenstander of nu niet nemen en hopen dat later problemen opduiken bij de tegenstander juist omdat je niet hebt geslagen.

Terug naar de partij. Wit heeft dus zijn c-pion opgestoten en de reactie ligt voor de hand. Zwart gaat zich vanaf nu op de koningsstelling van zijn opponent concentreren. De weegschaal neigt langzaam ten gunste van Zwart en Fritz7 ziet dat ook zo.

24…, Pd4x 25 Dd4x, Tf4 26 De3, d4 27 De2, Lc6 28 Kh1

De laatste zet van Wit oogt vreemd. Veld f3 wordt nu wel heel nadrukkelijk een "knooppunt" voor offers. Wit kan wat meenemen op a3 en lokt daardoor uit dat er witte torens op de a-lijn worden gezet, weg van de plek waar het moet gaan gebeuren.

28…,Da3x 29 Ta1, De7 30 Ta2, T8f7 31 Tfa1, a5?!

Als strenge meesteres (huh?) moet ik kritiek uitoefenen op deze zet. Zwart had zich direct op f3 kunnen bedienen zonder zich om pion a7 te bekommeren. Ik moet toegeven dat ik een weinig te lui was om het door te rekenen, te meer daar ik met de tekstzet de pluspion eenvoudig vasthoud. Verder beoordeelde ik de stelling hoe dan ook als gewonnen voor mij. Maar Fritz7 blijkt het niet helemaal met me eens: na de tekstzet blijft Zwart weliswaar heel goed staan, maar hij staat volgens mijn huisgoeroe nog niet gewonnen: met 32 Db2 had Wit het ergste kunnen voorkomen. Maar mijn tegenstander was murw gespeeld, geloofde er niet meer in en speelde zijn volgende zet snel. De valbijl komt daarna in volle vaart naar beneden.

32 Tb2?, Tf3x! 33 Tb6x, Tf2 34 Tc6x, Te2x 35 Le2x,Db7!

Omdat 36 Lf3 niet gaat, is Wit gedwongen tot iets als Te6x. Maar dan volgt 36…,Db2 en Wit verliest een stuk.

(0-1)

Wat er in deze vijf Groningse dagen met me aan de hand was weet ik niet. Onplezierig was het in ieder geval allerminst. Ik bereidde me niet voor op een andere manier dan in alle voorgaande jaren, wist pas bij aankomst in de speelzaal wie de tegenstander was en maalde er niet om wat die zou spelen en met welke kleur. Ik was relaxed, maar ook weer niet té.

Het leek wel alsof door Caissa een extra venstertje in mijn hoofd was geopend. Ik speelde snel, zelfverzekerd en ben geen moment in problemen geweest. Ook zag ik tijdens de zeer vluchtige excursies langs andere borden een enkele maal een combinatoire winstvoortzetting die door de spelers zelf compleet werd gemist. Zou ik dan toch een beetje kunnen schaken?

En toen ik achter de tekstverwerker dit stuk ging schrijven drong zich in een flits maar een woord aan me op als titel: "harmonie".

Manuel Nepveu

Scroll naar boven