De eer van het viertal

Promotie in de pers

De eer van het viertal (deel I) door Dennis Leenman

Het boek werd geopend. Het optillen van de leren kaft ontsloot krakend de geheimen van dit kroniek. Op de titelpagina stond in plechtige letters: Promotieklasse Noord-West, Jeugdclub-competitie. Met een spottende ondertoon werd het motto voorgelezen: Vijanden van het lot kunnen maar beter niet geholpen worden. De aanwezigen stemden toe met een luidkeels amen. Eén captain boog spijtig het hoofd. De gemeenschapszin van de anderen vulde hem met afgrijzen. Hij wist waarom ze opgetogen waren. Hij wist dat ze gelijk hadden. Hij wist dat het het Noodlot was geweest die met hem en de zijnen gespeeld had, dat die hen gekweld had tot ze er weemoedig van werden. Allen vertrokken. De captain liep behoedzaam naar de lezenaar en sloeg de bladzijde om. Voor hem verschenen de eerste twee pagina’s. Ze waren vaal van kleur en bedrukt met gitzwarte letters. Hij moest moeite doen om het te kunnen lezen. Als boekenlegger lag in de naad van het boek verticaal een rode draad. Deze krulde onderaan via een lus bij pagina 3 en 4 weer naar boven. Het lot was hem vanaf het begin vijandig geweest. De houten schaakstukken van zijn viertal waren door het lot van meet af aan voorbestemd om als brandhout te eindigen in de haard. De tegenstanders leken daarentegen de beschikking te hebben over figuren die niet kapot waren te hakken of tot as waren te branden. De vier hadden het al die tijd met broze brandhoutjes op moeten nemen tegen stalen stukken. Het Noodlot zelf had moordlustige tanden in de hard metalen lopers en pionnen gegraveerd, opdat de tegenstanders van het viertal diens stukken zou verzwelgen. De vier dirigeerden met jeugdige onverschrokkenheid hun stukken ten aanval. Maar hoewel het er meestal vrij correct uitzag, werden ze tijdens de partijen doorlopend geteisterd door rampspoed en ongeluk. Eén van hen opende vaak voortvarend, maar kon nooit een hele partij lang zijn lot ontlopen. Tijdens de volgende zetten kon zwart (Christopher Devine) niet op meer dan genade gehoopt hebben. 1.e4 d6 2.d4 Pf6 3.Pc3 g6 4.Le3 c6 5.Le2 b5 6.e5 d×e5 7.d×e5 D×d1† 8.T×d1 Pg4 9.Ld4 (dreigt 10.e6) Lg7 10.P×b5 Pa6 (c×b5 11.Lf3) 11.P×a7 Lb7 12.L×g4 c5 13.Lc3 T×a7 14.Ld7† Kf8 15.Lc8 Maar nog was wits stelling niet goed genoeg of hij moest na 67 zetten het volle punt inleveren.

De stalen stukken waren echter niet de enige voltrekkers van het onheil; Noodlot kende namelijk een zwakke plek van het viertal: het tijdsgebruik. In zijn sluwheid liet hij de klokken van het viertal 25% sneller tikken en -om dit te camoufleren- de minuten van de tegenstanders 25% langer duren, zodat de partijen op de normale tijd eindigden. De captain herinnert zich nog de vliegende tijdnoodfases waarin secondes maar vijfenzeventig honderdsten duurden. Slechts door een wonder zijn hartverzakkingen en zenuwcrises hem bespaard gebleven. Lede ogen om verloren dames en torens tekenden hem des te meer.

Soms wonnen de vier net zo veel als ze verloren en bleven er (bijna) geen stukken over om weg te geven. Met 10 seconden op de klok claimden ze dan remise. Meer dan ooit hadden ze een kundig arbiter nodig. Dergelijke luxe bleek echter vergeefse hoop: niet één van de terechte claims werd toegewezen.

Eens zaten de vier bij hun mistroostige captain op de achterbank. Zij kwamen uit de polders ten noorden van de stad en waren op weg naar huis. De resultaten stemden niet tot vreugde en er heerste een bedompte sfeer. De in zichzelf gekeerde bestuurder loodste de auto langs slootjes en weilanden door het aardedonker. Hij wilde linksaf slaan, maar werd gelukkig op tijd gewaarschuwd dat thuis naar rechts was. De captain hoorde het niet en evenmin ging hij in op de vermaningen om te keren vanaf de achterbank. Het leek alsof hij bord noch pijl kon zien toen hij het volgende halfuur alleen recht vooruit plankte; zagen zijn passagiers eerst een bord met ‘Zoetermeer: 15km’ staan, langzaam liepen de getallen op naar dertig. Ze waren verder van huis vandaan dan in de speelzaal. En daar was zelfs maar een sprankje hoop ver te zoeken.

Toch ontsnapten de vier wel eens aan het ongeluk. Het kwam niet vaak voor, maar af en toe vergaloppeerden ook hun tegenstanders zich. In de volgende partij levert de wisselwerking tussen scherpe berekeningen, overmoed en lotgevallen een ongemeen felle strijd op, waarin de reflexen gescherpt en de tanden geslepen zijn.

De zwartspeler verkeerde nog vele dagen in een agressieve stemming. Vincent Oudewaal hanteerde de witte stukken.

1.g3 Pf6 2.Lg2 g6 3.d3 Lg7 4.Pc3 d6 5.f4 c5 6.e4 Dc7 7.Pf3 Pc6 8.Le3 0-0 9.0-0 Pg4 10.Ld2 e6 11.Ph4 Ld4† 12.Kh1 Pf2† 13.T×f2 L×f2 (Dat viel lang niet tegen. De opening was wederom geslaagd.) 14.f5 De7 15.Dg4 Ld4 16.Lh6 Lg7 17.L×g7 K×g7 18.Tf1 Pe5 19.Df4 f6 20.Lh3 g5 21.f×e6 g×h4 (g×f4 22.Pf5† Kh8 23.P×e7 f×g3 24.h×g3 levert een krachtige aanvalsstelling voor wit op, met mogelijkheden als 25.Pd5 of 25.Kg2, Lf5, Th1) 22.Pc5 Pg6 23.P×e7 (De3 Dd8 24.g×h4 was op zijn minst het proberen waard omdat P×h4 niet kan wegens 25.e7) P×f4 24.g×f4 Te8 25.P×c8 (Wit speelde dit omdat de e6-pion nu onsterfelijk is zolang de loper hem dekt. Op 25.Pd5 volgt niet Tb8 wegens 26.Tg1† Kf8/h8 27.P×f6; noch Tg8 wegens 26.Tg1†, T×g8†, P×f6†; maar L×e6 26.L×e6 T×e6 27.Pc7, resulterend in een toreneindspel, dat beter staat voor wit, maar lastig te winnen is.) Ta×c8 26.Tg1† Kh8 27.Tg4 Tg8 28.T×h4 Tc7 (dreigt Tcg7 met directe winst) 29.Lg4 b5 30.Kg2 c4 (Een blunder in tijdnood. Wit kan nu zonder een lijn te openen een machtige centrumdoorbraak forceren. De zetten 31.c4, 32.d4 c×d4 33.c×d4 hadden zwart namelijk aanvalskansen over de c-lijn verschaft.) 31.d4 a5 32.Kf2 c3 33.b3 a4 34.d5 a×b3 35. a×b3 Ta8 (Tijdcontrole. Zwart was de wanhoop nabij. Hoe vaak was het al niet zo gegaan? Wit maakt inderdaad meteen duidelijk wie domineert:) 36.e5 f×e5 37.f×e5 Td8 38.Lf3 (Meteen Ke3 was sneller: in geval van Tc5 39.Kd4 en als zwart d×e5 speelt 39.Ke4 (dat Tc5 verhindert wegens e7.)) d×e5 39.Le4 Kg8 40.Ke3 Kf8 41.Th5 Ke7 42.T×e5 Kd6 43.Kd4 Tf8 44.Th5 Tf2 45.L×h7 Td2† 46.Ld3 Tg2 47.L×b5 (Een vreselijke fout. Omdat er enigszins moeilijkheden ontstaan bij het opschuiven van de h-pion (47.Th8 Tg4† 48.Ld4 Tcg7 met het idee Tf4, Tgg4) besluit wit aan twee kanten de dreiging van oprukkende pionnen te creëren. De witte loper lijkt elk zwart gevaar te kunnen verhinderen, maar het gaat erg hard.) T×c2 48.Lc4 Tc1 49.Kd3 (Th3 Tg7 biedt geen oplossing.) Tg7 50.b4 (er is niets beters, wit besluit op een mattrucje te spelen.) Tg2 51.Th7 c2 52.Ke4 Te1† 53.Kd4 Tg4† 1-0

De hoop dat dit een keerpunt in de competitie zou betekenen, bleek valser dan een pitbull toen in de volgende wedstrijden de oude sleur weer hervat werd. Meters diep werden de laatste positieve verwachtingen de grond in geboord.

Met een droevig gezicht gleed de captain met zijn vingers over de zwarte bladzijden, die louter van rampspoed en kommer verhaalden. Hij voelde de draad die in de naad lag. Met een schok herkende hij de stof: het was zijde. Zijn nieuwsgierigheid werd hevig geprikkeld. Een zijden draad! Daar moest iets aan hangen; dit geschrift handelde immers de hele tijd al over ondergang en vernietiging? Hij volgde de lus onderaan de bladzijde en merkte dat de zijden draad ongeveer in het midden van het boek weer naar onder kwam; het hing strak naar beneden. Hij liet zijn blik dalen en stond vol ontzetting toen hij merkte dat onderaan een schitterend juweel hing. Het was groot, maar niet te groot. Het was niet kwetsbaar, maar het had zwaar geleden en een val op de grond zou het misschien niet overleven. Er stond met sierlijke letters in gegraveerd: De eer van het viertal. Plotseling besefte hij de waarde van dit sieraad. Hiermee stond of viel de eer van zijn viertal. Zijn hand reikte er voorzichtig naartoe om het te pakken en in veiligheid te brengen. Een wilde schrik maakte zich van hem meester toen zijn hand dwars door het sieraad heen ging. Hij kon het niet behoeden voor het gevaar waar het aan bloot stond. Hoe diep zou het vallen als de draad brak? Angstzweet brak hem uit, want hij voelde zich zeer begaan met zijn viertal. Hoe kon hij helpen? Het duistere papier op de lezenaar boezemde hem ineens veel angst in. Een dikke zweetdruppel viel van zijn voorhoofd op het boek en kleurde de vale achtergrond diep zwart. Met trillende vingers wilde hij omslaan, maar het papier kleefde aan elkaar. Zonder erbij na te denken bracht hij zijn vingertoppen naar zijn tong, bevochtigde ze en probeerde het daarna opnieuw. Zijn hart bonsde in zijn keel en de echo was bij wijze van spreken te horen tegen de kille stenen muren van het gebouw. Het Noodlot mocht in geen geval meer getart worden. Een verantwoord tijd-en-strijd-beleid was absoluut noodzakelijk geworden. Vermoedelijk was de volgende pagina beslissend voor de eer van het viertal.

Dennis Leenman

Scroll naar boven