Schaakartikelen uit het schaakblad van de vereniging PROMOTIE uit Zoetermeer
Een partij met een verhaal door Manuel Nepveu
Eerste bedrijf
Op de televisie heb ik enkele jaren geleden beelden gezien van het plaatsje Vinkovci.
Het plaatsje ligt in wat men "voormalig Joegoslavië" is gaan noemen. Maar misschien moet ik eigenlijk zeggen dat het plaatsje in "voormalig Joegoslavië" lag. De televisiebeelden lieten namelijk zien wat er van over was gebleven na de Grote Woede van de jaren negentig.
In gelukkiger tijden werd er in Vinkovci eens een schaaktoernooi gehouden. In 1968 was dat. In een van de ronden zaten er twee spelers tegenover elkaar waarvan de namen voor oude mannen zoals Uw scribent een bekende klank hadden, op z’n minst. Maar de lieve jeugd van heden heeft vermoedelijk nooit van deze spelers gehoord. De Joegoslaaf Boris Ivkov was indertijd een behoorlijke grootmeester, die in sterk bezette toernooien met de grootsten meedeed en die een aantal eerste prijzen won. Een keer wist hij de kandidatenmatches te halen. Te onzent won hij, samen met Larsen, Beverwijk 1961.
Karl Robatsch was een Oostenrijkse grootmeester die ook in de tijden van weleer niet erg opviel, voor zover ik mij kan herinneren. Voor wat het waard is: The Oxford Companion to Chess (editie 1992) besteedt een halve pagina aan Ivkov, maar heeft geen lemma over voor de Oostenrijker.
Welnu, in het toernooi van Vinkovci deden de beide heren mee en zij speelden een redelijk gedenkwaardige partij. Ivkov met Wit speelde in een variant van het Catalaans die toendertijd populair was iets dat wel erg sterk riekte naar een blunder. Robatsch greep zijn kans en ging in op de eenvoudige combinatie die pionwinst op zou leveren. Maar onmiddellijk riposteerde de Joegoslavische grootmeester met een kwaliteitsoffer waarmee de zwarte koningsstelling aan barrels ging. Het kwaliteitsoffer vond plaats op zet twaalf en op zet zeventien gaf Robatsch op. Als ik mijzelf al te grote vrijpostigheid zou permitteren, dan zou ik schrijven: "Hij gaf verbrijzeld op" of "Hij gaf huilend op" of "De lachsalvo’s van zijn collegae waren onbedaarlijk". Ik houd mij echter in en schrijf dit dus niet.
Het jaar daarop (dus in 1969) kwamen in het Kampioenschap van Roemenië de heren Florin Gheorghiu en Varabiescu tegenover elkaar te zitten. Eerstgenoemde was toen al grootmeester. Of hij ook reeds zijn uiterst bedenkelijke reputatie (die van omkoopbaarheid namelijk) had, weet ik niet. Zijn opponent heeft nooit internationale bekendheid gekregen als schaker. Dezelfde "blunder" die Ivkov een jaar eerder op het bord bracht werd nu gekopieerd door de Roemeense grootmeester. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Gheorghiu zijn huiswerk had gedaan en dat hij de bovenvermelde partij kende. Varabiescu kende de partij vermoedelijk niet, of dacht anders misschien dat hij een verbetering had gevonden. Hij hapte eveneens en de wereldschokkende verbetering bestond daarin dat hij pas op zet tweeëntwintig moest capituleren …
Tweede bedrijf
Op 8 oktober 1977 verzamelden zich negen spelers van het derde tiental van Groningen zich bij het station van genoemde plaats. Nummer tien zou vanuit Veendam met de auto gaan. Die zaterdag zou een uitwedstrijd gespeeld worden tegen de club die toen bekend stond als ASG. De mannen uit Apeldoorn waren pas in de (tweede) klasse van de KNSB komen kijken en wij Groningen-spelers rekenden ons rijk. Ik zeg "wij", want ik was een van de spelers. Van de treinreis kan ik me alleen herinneren dat er een aantal keren moest worden overgestapt en dat het af en toe rennen geblazen was op de perrons.
Uiteindelijk zaten we met ons tiental achter de borden en het feest kon beginnen. Maar het werd geen feest, het werd helemaal geen feest. Na koud een half uur reed die ene Groningen-speler uit Veendam alweer op de grote weg: hij had een nul op zak. Caissa lachte vals.
Ik had zwart tegen ene Bleeker en werd geconfronteerd met een opening die ik niet zo goed kende. Op een gegeven moment ging mijn tegenstander in de denktank, maar het resultaat van zijn lange nadenken was een forse blunder die mij een pion opleverde. Onmiddellijk daarop offerde hij een kwal waarmee mijn koningsstelling aan gruzelementen ging. Ik stond met mijn ogen te knipperen en zag dit in eerste instantie aan voor een wanhoopspoging van mijn tegenstander om er nog wat van te maken. Bij langer nadenken bleek het echter allemaal niet zo eenvoudig. Ik gaf een schaakje, deed de beste zetten -dacht ik- en werd toen met een bijzonder onfrisse paardzet geconfronteerd -onfris voor mij wel te verstaan. Ik offerde aangeslagen en in arren moede mijn dame en geheel en al groggy speelde ik nog tot en met zet 23 door. Ik gaf op. Neen, ik gaf verbrijzeld op. Ditmaal schaterde Caissa.
In het clubblad van Groningen heb ik voor straf mijn partij moeten publiceren. Ik schreef toen als commentaar bij die zo onaangenaam sterke en onverwachte paardzet van mijn tegenstander: "Alsof je een baksteen in je gezicht krijgt …". Inderdaad herinner ik me tot op de dag van vandaag dat het bloed door mijn koontjes gutste toen mijn tegenstander hem had uitgevoerd en dat ik achter het bord zat te balen als een stekker. En ook over dat eerdere kwaliteitsoffer van mijn tegenstander heb ik nog wat in het clubblad geschreven. "Mijn opponent speelde het offer verdacht snel en na de partij hoorde ik dat dit alles door Ivkov en Robatsch in 1968 al op het bord gelegd was ….". Ik weet nog heel scherp, dat mijn tegenstander me bij de post mortem vertelde, dat hij in eerste instantie in de denktank was gegaan omdat hij zich de verschillende varianten niet zo goed meer kon herinneren. Maar toen hij alles op een rijtje had kwamen de zetten er vlot uit. Uit het verslag dat een van de Groningen-spelers over deze uberhaupt pijnlijke wedstrijd schreef (7½-2½ voor ASG) moet ik concluderen dat dit alles weinig meer dan een uur in beslag had genomen.
Ik denk dat deze partij voor mij de aanleiding geweest is om de opening maar eens te gaan bestuderen en hem in mijn repertoire op te nemen.
Derde bedrijf
Op 10 februari 2003 verzamelden zich acht man bij de Olympus. Zij zouden die avond een uitwedstrijd spelen tegen RSC-Belgisch Park. De tegenstander stond in de competitie helemaal onderaan en leek geen potten te kunnen breken. Er werd gerekend met een flinke overwinning.
De tocht naar Scheveningen verliep vlot. Er waren alleen parkeerperikelen. Toen het moment van strijd was aangebroken bleek tegenover mij een Bourgondisch ogende jongeman te zitten. Zijn naam was even weinig alledaags als de mijne. Hij keek vredig uit zijn ogen en een tikje melancholiek.
MN – Ramondt, Scheveningen 10-2-2003
Catalaans
1 d4, d5 2 Pf3, Pf6 3 c4, e6 4 g3, dc4x 5 Lg2, Le7 6 0-0, 0-0 7 Pe5,
Het Catalaans is vooral tegen relatief onervaren tegenstanders een opmerkelijk goede keus.
De witte fianchettoloper oefent onaangename druk uit op de damevleugel van Zwart en de problemen die dit opwerpt worden lang niet altijd ordentelijk opgelost. De stellingsbeelden zijn bij veel zwartspelers stukken minder bekend dan die uit de op onderbondsniveau meer gangbare damegambieten.
Op het moment dat ik mijn zevende zet speelde gingen de partijen Ivkov-Robatsch en Gheoghiu-Varabiescu door mijn hoofd, alsook mijn partij tegen Bleeker uit Apeldoorn. Zou ik mijn tegenstander in die varianten kunnen lokken?
7…, c5 8 dc5x, Lc5x 9 Pc4x, Dc7
Mijn hartslag zal hier zeker omhoog zijn gegaan. Dit was namelijk precies wat er in die partijen op het bord was gekomen! Ik voelde gewoon dat het nu, ruim vijfentwintig jaar na Apeldoorn, opnieuw zou gaan gebeuren. Maar dit keer dan wel met mijn persoontje aan de goede kant van het bord …
10 Pc3!, Lf2x+? 11 Tf2x, Dc4x 12 Tf6x!, gf6x 13 Lh6,
Na Zwarts negende zet wachtte ik nog even met het uitvoeren van mijn tiende, maar toen Ramondt toegehapt had -na enkele minuten broeden overigens- speelde ik de volgende paar zetten à tempo. Ik vermoed -nee, weet bijna zeker, dat ik hier een superieur lachje om de lippen had en ik hoop dat mijn tegenstander dat lachje dan ook gezien heeft.
Robatsch beantwoordde de witte tekstzet indertijd met 13…,Pc6, Varabiescu en ik antwoordden met 13…,Dc5+. Mijn tegenstander deed het nog anders en niet beter.
Het is overigens opmerkelijk dat de stelling na Wits twaalfde zet in BCO2 (Kasparov en Keene) wordt beoordeeld als "±" en niet als "+-". Kan Zwart zich dan nog redden?
Hoe dan ook, het grote sarren en treiteren is begonnen.
13…, e5 14 Lf8x, Kf8x 15 Dd8+, Kg7 16 Pd5, Dc5+ 17 Kh1,
Je kunt waarachtig niet zeggen als zwartspeler dat je deze stelling bij het begin van de partij nou direct voor ogen had. Het is in het algemeen trouwens wel aardig om, als je een clubpartij thuis naspeelt, de kleur van je opponent voor je te nemen. De manier waarop je (letterlijk) tegen de stelling aankijkt heeft namelijk invloed op je welbevinden. Ik kan me zo heel goed voorstellen hoe mijn arme tegenstander zich moet hebben gevoeld. Hij wist nu natuurlijk dat hij vreselijk geflest was en hoewel ik na de partij niet naar de toestand van zijn darmen heb geïnformeerd denk ik wel te weten hoe die was. Het zal U niet verbazen dat Zwart zich niets meer kan permitteren. De stelling is heel, heel misschien theoretisch nog net niet uit, praktisch echter is er geen twijfel over de afloop. Na het antwoord 17…, Pd7 kan ook Fritz7 de vraag naar winst of net-niet-winst niet eenduidig beantwoorden. Het antwoord lijkt op grillige wijze afhankelijk te zijn van de hem gegunde rekentijd. Op zich kan dit opgevat worden als een teken dat Zwart op het randje balanceert. Na Zwarts volgende zet is de zaak echter meteen duidelijk.
Ik ga U niet vermoeien met wat beide kanten allemaal anders hadden kunnen doen, want aan het eindresultaat kon toch niets meer worden veranderd. Ziehier het grote slachten.
17…, Pc6? 18 Df6x+, Kg8 19 Dg5+, Kh8 20 Pc7, Tb8 21 Pe8, Df8 22 Lc6x, f6 23 Pf6x, bc6x 24 De5x, Tb5 25 Pd5+, Dg7 26 De8+, Dg8 27 Dg8x+ (1-0)
Ik was als eerste van mijn teamgenoten klaar en luidruchtig legde ik mijn tegenstander precies uit wat hem was overkomen, in historisch perspectief. Ik genoot op welhaast laakbare wijze.
———-
En bij de deur van de speelzaal zag ik haar staan, heel even maar. Ik zag de godin Caissa. Rode schoentjes, een zwartleren rokje en een gastvrije bloes. Zwaar opgemaakt en het haar opgestoken. Ze hield een zweepje in haar hand. Ze straalde en schaterde. Toen was ze weg.
Ik denk dat ik de enige ben geweest die haar opgemerkt heeft.
Manuel Nepveu
