Ooit zat ik tijdens een rapidtoernooitje tegenover een tegenstander die voortdurend, als een soort mantra, iets in het Engels mompelde. Na afloop van de partij, die voor hem in een nederlaag was geëindigd nadat hij eerder gewonnen had gestaan, vroeg ik hem wat dat gemompel had beduid. Hij verklaarde dat hij had geprobeerd zichzelf daarmee weer onder controle te krijgen toen plotseling tot hem doorgedrongen was dat hij in drie zetten mat had kunnen geven als zijn pion tot paard in plaats van tot dame was gepromoveerd. “Een paard, een paard, mijn koninkrijk voor een paard” had hij in het Engels verzucht.
Het was één van de zeldzame gevallen waar de literatuur misbruikt werd door een schaker. Immers, Shakespeare (Richard III, slotscene VI) laat de wrede moordenaar/ koning Richard III na de voor hem fatale slag bij Bosworth in 1485, bovenstaande verzuchting slaken. Met een snel paard had hij nog kans gehad te ontkomen. Ik antwoordde hem dan ook zeer snedig dat Richard III inderdaad zonder ‘Paard’ slechts een ‘Lopertje’was, dat de ‘Koning’ daardoor niet meer had kunnen ontsnappen en even later geheel terecht omgelegd werd.
Soms zie je ook nog wel eens boven overlijdensberichten van schakers het beroemde gedicht van Omar Khayyam over ‘de mensen, die slechts de stukken zijn op het schaakbord van het leven. Door het Lot worden ze heen en weer geschoven tot ze één voor één weer in het kistje verdwijnen’. En ook zijn er in de huidige tijdspanne wel schakers die teruggrijpen op de geschriften en uitspraken van Jan Hein Donner als ze lucht willen geven aan hun bewondering voor of misnoegen over eigen prestaties.
Meer gebruikelijk is het omgekeerde: het schaakspel, misbruikt door literatoren en romanciers. We kennen allen (naar ik mag hopen) de middeleeuwse ridderverhalen waarin het schaakspel een grote rol speelt. Zo haalde ik kort geleden nog eens een boek met Karolingische verhalen van de plank toen mijn dochter bezig was met een project over de wordingsgeschiedenis van Europa, waar de legendarische Karel de Grote natuurlijk niet uit weg te denken is. In het Karolingische verhaal over de vier Heemskinderen en het ros Beyaart speelt ook de schakerij een grote rol. Bij een schaaktweekamp staat het hoofd van de verliezer op het spel en als dat het hoofd van de net gekroonde zoon van koning Karel blijkt te zijn, blijven er voortdurend koppen rollen door de scherpte des zwaards. De velden zien rood en door de goten stroomt het bloed als regenwater. Overigens – en dit voor de scherpslijpers onder ons – hebben deze verhalen niets met echte geschiedenis te maken. De verhalen dateren van omstreeks 1300. Het schaakspel was in de tijd van Karel de Grote (ca. 800 na Chr.) nog niet in zwang aan de Europese Hoven .
Na de middeleeuwen bleef tijdens de gehele loop van de geschiedenis het schaakspel grote aantrekkingskracht houden op de romanciers, niet zozeer met de schrijver als actief speler maar slechts in hun pogingen de verhalen en hun personages enig nivo te geven. De eerder genoemde Shakespeare laat het schaakspel figureren in zijn scenes met hooggeborenen (bijv.: ‘De Storm’, scene V) maar later is het meestal de briljante edoch op hol geslagen geleerde of de geniale dubbelspion die met een schaakstelling geportretteerd wordt. (Jules Verne’s kapitein Nemo van de Nautilus, of de tegenstrever van James Bond in de film “Veel liefs uit Rusland” waarbij het beroemde eindspel van de partij Spasski-Bronstein , Leningrad 1959, misbruikt wordt).
In al deze verhalen, een enkele uitzondering daargelaten, (bijv. de geromantiseerde biografie over Paul Morphy – waar een beroemde schaakpartij in Parijs zet voor zet als een rode draad door het verhaal loopt – , Stefan Zweig’s ‘Schaaknovelle’ en Nabokov’s ‘De Verdediging’) wordt het schaakspel er aan de haren bijgesleept en als de schrijver zich ook nog eens verstout over de partij uit te weiden, springen zelfs een inmiddels van alle ambities gespeende onderbonder zoals ik, de tranen in de ogen.
Dit schennende misbruik is op het godslasterlijke af en is mij dan ook een gruwel.
Onlangs was het weer eens raak Ik had mij gezet aan het obligate lezen van het jaarlijks boekenweekgeschenk: Thomas Roosenboom’s ‘Spitzen’. Ook dit verhaal, zo bleek tot mijn grote ergernis, moest zo nodig opgeleukt worden met het schaakspel.
De hoofdpersoon van het verhaal, lid van een schaakvereniging, had ondanks dat hij een ‘onderlegd’ (sic) schaker was, nog nooit een partij gewonnen. Het betrof een wat stoffige man van middelbare leeftijd die, hoewel recht van lijf en leden en met een redelijke baan, ook nog nooit het genoegen had mogen smaken een vrouw te veroveren. Hij wilde wel, en zelfs gaat hij op aanraden van een oudere buurvrouw op (tango)dansles, maar ook daar komt hij niet aan zijn trekken.. De parallelle symboliek tussen het falen op het schaakbord en in de wereld van de erotiek, ligt er duimendik bovenop. Zijn vrienden hadden zijn probleem geanalyseerd en waren tot de conclusie gekomen dat het hem op beide fronten aan ‘scoringsdrift’ ontbrak.
Dan wordt hij ingepalmd door een nymfomane dame die hem als een niet al te onaangenaam tussendoortje beschouwt. Ze laat zich meetronen naar zijn appartement, waar ‘alles was opgeruimd, alleen lag er een schaakbord op de grond en daarnaast het uitgeknipte schaakprobleem dat hij had liggen oplossen’. Op de vraag hoe en waar hij de kost verdiende, vertelt hij dat hij scheikunde had gestudeerd (zonder er bij te vertellen dat dat na een anderhalf jaar al op een mislukking was uitgelopen) en dat hij werkzaam was bij Shell.
“…’Knap hoor…en je schaakt ook’ ging Esther door met een knikje naar het bord op de grond. Ja hij schaakte, was zelfs een onderlegd schaker, maar winnen deed hij nooit, ook niet in gewonnen stelling, ongeveer zoals hij, ofschoon nog nooit helemaal, wel degelijk een paar keer bijna met een vrouw naar bed was geweest, gebreken had hij immmers niet, zodat ook dit gegeven eigenlijk wel heel toevallig was, net of hij wel de dobbelstenen wierp, alleen nooit zes kreeg – ja, hij schaakte zoals hij omging met vrouwen, vriendelijk, belangstellend, maar zonder scherpte, zonder door te tasten, zonder de ander het opwindende gevoel te geven dat het erom ging…”. Eenmaal over de streep getrokken en ontknaapt, verliest de hoofdpersoon zich helemaal in de affaire en je zou verwachten dat hij nu ook wel zijn ‘scorend’ vermogen op het schaakbord zou ontwikkelen, maar nee, niets daarover. De man wordt door de levenslustige dame na enkele maanden soepel voor een ander ingeruild en triester maar weer wat wijzer, zet hij een nieuw schaakprobleem op het bord als de zaterdagse krant wordt bezorgd.
Ik denk niet dat Roosenboom zelf schaakt. Om te beginnen zou hij dan niet van een ‘onderlegd’schaker spreken. Voor ‘onderlegd’ geeft het woordenboek de betekenis: ‘met de vereiste kennis toegerust’. Iemand die de regels kent is dus een ‘onderlegd’ schaker. Maar wie, oh wie, heeft er in onze schaakwereld ooit van een ‘onderlegd schaker’ gehoord?
Een amateurschaker, lid van een schaakclub, kan ervaren, tactisch sterk, agressief, taai, listig en zelfs bij vlagen briljant zijn, maar ‘onderlegd’? Ik heb nog nooit een clubgenoot horen zeggen: “Tegen wie moet je? Oh, pas maar op, dat is een onderlegd schaker! ” Bovendien, van iemand die gewonnen stellingen moeilijk tot winst kan voeren wordt ook nooit gezegd dat hij ‘geen scoringsdrift’ heeft, maar veeleer dat hem de ‘afmaakmentaliteit’ ontbreekt. Niettemin is het moeilijk aan te nemen dat een figuur die al zo’n dertig jaar schaakt (en dat was het geval bij de held van het verhaal), zelfs indien structureel behept met de tekortkoming van het niet kunnen verzilveren van gewonnen stellingen, nooit eens het punt zal hebben geïncasseerd. Want, zoals I. A. Horowitz het ooit eens verwoordde: “Het schaken is een mooi spel. Hoe goed men ook is, er is altijd wel iemand die beter speelt. Hoe slecht men ook is, altijd is er wel iemand die slechter speelt”
Thomas Roosenboom is voor mij met zijn goedkope symboliek over ‘de onderlegde schaker die nooit gewonnen heeft omdat hij geen scoringsdrift heeft’, lelijk door de mand gevallen.
