Wat deed Philidor in Nederland ?

Eén van de raadselen waar schaak- en cultuurhistorici zich het hoofd over breken is het feit dat, waar het schaakspel in de late middeleeuwen razend populair was bij de niet-produktieve klassen (adel en geestelijkheid) plotseling, zo vanaf het midden van de zeventiende eeuw dit spel praktisch zo’n honderd jaar lang uit beeld verdwijnt. Een beetje kort door de bocht wordt de verklaring soms gezocht in de verburgerlijking en calvinisering van de samenleving in grote delen van Europa. De ijdele pleziertjes en loze passies najagende adel boette aan rijkdom en belangrijkheid in. De normen, waarden en gewoonten van de riscodragende en investerende geldadel begon de samenleving te doordringen en in die context zou het verspillen van tijd en energie aan niets opleverende liefhebberijen geen hoog aanzien hebben gehad. We zouden dat heel duidelijk kunnen zien in de door burgerlijke calvinisten gedomineerde Republiek der Verenigde Nederlanden tijdens de Gouden Eeuw. Zelfs de hobby van het kweken van fraaie tulpenrassen die toen opkwam, werd binnen de kortste keren vercommercialiseerd en ook de binnenstromende rijkdom via de VOC werd door de kooplieden weer nuttig geinvesteerd, onder andere in droogmakerijen. Behoudens enkele boven het Hollandse maaiveld uitstekende figuren (bijv. Christiaan Huygens, Hugo de Groot, Leeghwater) bestond de bevolking naast de kooplui, voornamelijk uit een intelligentsia van ‘ijdele ledigganck’ afwijzende dominees en een analfabete en semi-analfabete massa van boeren en stedelijke ambachtslui. Louter het hoofd boven water houden (soms letterlijk) vereiste van deze laatste groepen te veel energie om zich ook nog aan inspannende denkfratsen te wijden. Verwijzingen naar het schaakspel worden in de vaderlandse literatuur van de Gouden Eeuw dan ook niet of nauwelijks aangetroffen.Vondel wijdt er een paar regels aan (“Wie schaeckt en niet verstaat wat spel beduit, Verliest het velt en raeckt ten schaeckbort uit”) maar verder lijken de Nederlanden voor het schaakspel een braakliggend terrein.

Wat men van deze verklaring ook moge denken, feit is dat in die periode slechts in de Rooms- Katholieke meditterane landen, waar adel en geestelijkheid zich met een sterke positie konden handhaven, de schaakfakkel doorgegeven werd. In Italie was er een Leonardo da Cutro, Giacomo Greco en een Giulio Polerio en in Spanje een Ruy Lopez en Alfonso Ceron. Later, zo rond de tweede helft van de achttiende eeuw formeerde zich dan de, wat genoemd wordt, Ítaliaanse school van Modena (Ponziani en Lolli) waar ook veel theoretische beschouwingen over het schaken werden gepubliceerd. Van hieruit werd de rest van Europa geleidelijk weer rijp voor het schaakspel gemaakt, het eerst in Frankrijk, daarna de Duitse landen en Engeland.

Dan verschijnt Philidor (1726-1795) op het Franse schaaktoneel. Deze man, telg uit een geslacht van hofmuzikanten werd uiteraard ook in de muziek opgeleid. Hij groeide op aan het hof van Lodewijk XV die zich als zijn beschermheer opstelde en waar hij al jong veel waardering genoot als veelbelovend componist. Daarnaast ontpopte hij zich als een geniaal dam- en schaakspeler.
Plotseling vertrekt hij in 1747 op 21-jarige leeftijd naar het Nederland van de pruikentijd. De Republiek der Verenigde Nederlanden is na de geld verslindende Spaanse successieoorlog (Vrede van Utrecht, 1713) in stagnatie en verval geraakt. De goederenhandel heeft plaats gemaakt voor de geldhandel. De kooplui stoppen met investeren en gaan potverteren met buitenplaatsen aan de Vecht. Lucratieve baantjes worden geërfd, verkocht en verhuurd (de zogenoemde ‘sinecures’) en de corruptie viert hoogtij. Men zou verwachten dat de nieuwe geldadel in dit geestelijk klimaat zich nu ook op een ‘loze passie’ als het schaken zou storten maar hierover is (mij althans) niets bekend.
Wat Philidor naar dit Nederland dreef is vrij duister gebleven. De Republiek met haar bewoners was bepaald niet populair bij de toenmalige Fransen. De Fransen vonden het maar een vies volkje. Het lichaamsvuil zou door de inboorlingen gezien worden als een natuurlijke beschermlaag tegen kou en ziekten en de zweet- en andere luchtjes werden niet, zoals in Frankrijk gebruikelijk, met parfums gecamoufleerd. Een Franse reiziger uit die tijd gaf lucht aan zijn walging door te vermelden dat hij maar liefst driehonderd pijprokende en pruimende bezoekers had geteld in een niet te grote herberg in Rotterdam. Hij klaagde dat de Hollanders zelf kennelijk weinig last hadden van vergiftiging van dergelijke kleine ruimten, maar dat de rook die uit de trekschuiten opsteeg de vossen uit hun holen joeg. Ook de encyclopedist Diderot, op avontuur in Holland, stipte nog een andere zwakheid aan. Hij omschreef onze voorouders als ‘levende destilleerkolven, die in feite zichzelf destilleren’.
Een niet zo overtuigende verklaring voor de komst van Philidor wordt gegeven door dr. M. Niemeijer in een bijlage van het Tijdschrift van de KNSB van 1938: “Het Nederlandse schaakverenigingsleven in de 19e eeuw”. Philidor zou naar Nederland zijn gekomen om mee te werken aan een aantal concerten. Deze concerten zouden worden gegeven door een zekere Signor Lanza met zijn 13 jarige dochter die als harpspeelster bekendheid genoot, en de violist Geminiani. Helaas overleed Signorina Lanza en de concerten gingen dus niet door. Deze verklaring is niet bevredigend omdat Philidor in deze onfrisse Republiek toch bleef rondhangen. Hij werd gesignaleerd in koffiehuizen in Rotterdam, Amsterdam en den Haag en later ook in Maastricht waar hij schaakte en damde met officieren van de daar gelegerde garnizoenen.

Dit lijkt, bekeken met de ogen van nu, een hoogst merkwaardige zaak als we bedenken dat in het begin van hetzelfde jaar dat Philidor naar Nederland kwam, Franse legers in het kader van de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748) de zuidelijke grenzen van de Nederlanden waren overgestoken. De barrièresteden in de Oostenrijkse Nederlanden (Namen, Bergen, Ieperen) met Noord- Nederlandse (althans door de Republiek ingehuurde) garnizoenen waren zonder slag of stoot gevallen. Toen ook Sluis, Hulst en Breda waren ingenomen kon de Republiek, ondanks een lang volgehouden, krampachtige neutraliteitspolitiek, zich niet langer afzijdig houden en ging men trachten zich te weer te stellen. Helaas te laat. Het ‘si vis pacem para bellum’ was vanwege het kostenaspect schromelijk verwaarloosd en de Fransen waren kennelijk goed op de hoogte van het zwakke Nederlandse verdedigingsbeleid. Nog vele rampen volgden. Zelfs de onneembaar geachte vesting Bergen op Zoom viel de Fransen zonder noemenswaardige weerstand in handen. De officiële verklaring voor deze laatste ramp luidde droogweg : “De oude en stokdove Zweedse commandant van het Berg op Zoomse garnizoen, Crönstrom, had de Fransen helaas niet horen aankomen” (sic!!).
Zoals gezegd, intussen schaakte en damde de Fransman Philidor in Holland en later in Maastricht onverstoorbaar en lustig voort met Engelse en Nederlandse officieren. Tijdens zijn verblijf in Maastricht wist Philidor zelfs de vriendschap te winnen van commandant Cumberland van het aldaar in dienst van de Republiek gelegerde Engelse garnizoen. Aan hem droeg hij het in Nederland geschreven beroemde boek ‘L’analyse du jeu des échecs’ op, waarin de pionnen worden omschreven ‘als de ziel van het spel’. Toevallig(?) woedde in die periode (juli 1947) ook even ten westen van Maastricht in wat nu Belgisch Limburg is, de verschrikkelijke veldslag bij Vlijtingen en het gehucht Lafelt, een veldslag die de weg moest vrijmaken voor de verovering van Maastricht door de Franse troepen. De slag werd vanaf een nabij gelegen heuvel gadeslagen door Philidor’s beschermheer, koning Lodewijk XV persoonlijk. Hoewel het Nederlandse leger met zijn bondgenoten moest terugtrekken op Maastricht was het een met Frans bloed doordrenkte pyrrusoverwinning. De Franse zijde telde maar liefst 11.000 gesneuvelden (de Nederlanders en hun bondgenoten verloren 6500 man) en Maastricht werd niet genomen. Lodewijk XV gaf de pastoor van Vlijtingen een zilveren monstrans als schadevergoeding voor de volledig verwoeste kerk, woonde een “Te Deum” bij maar vertrok toen weer snel naar Frankrijk. Philidor bleef nog even.
Het is moeilijk te geloven dat in dit zo onaantrekkelijke land met zijn riekende, rokende en zuipende bewoners en in deze vijandige oorlogssituatie, de monarchistische, chauvinistische, aan het Franse hof opgevoede delicate Fransman Philidor, slechts neutraal, onschuldig en ontspannen zijn tijd doorbracht met schaakseances in het hart van de Nederlandse diplomatie (Den Haag) en met officieren van Nederlandse en geallieerde garnizoenen van de barrièresteden.
Gens una sumus. Ja, ja, hoe naïef kan men zijn! Philidor mag een briljant schaker zijn geweest, maar ik vertrouw hem niet. Wellicht beschouwde hij zichzelf, en was hij ook daadwerkelijk, als een pionnetje de ziel van het toenmalige Franse oorlogsspel.
Gelukkig hebben we nu een AIVD die de buitenlandse gastspelers nauwlettend in de gaten houdt!

Scroll naar boven