artikelen vanm sv Promotie
Beslissingen achter het schaakbord door Hans Meijer
Onlangs kocht ik het boek van Viacheslav Eingorn Decision-Making at the Chessboard (2003). In New in Chess, 2004-5, had Matthew Sadler lovend over dit boek geschreven en het leek me wel aardig kennis te maken met het gedachtegoed van de man die we in 2001 het Oberwart Open hebben zien winnen. In de laatste ronde van dat toernooi versloeg Eingorn Boris Golubovic in een partij waarvan Willem Broekman vermoedde dat er sprake was van doorgestoken kaart. In zijn boek analyseert Eingorn deze partij en laat hij zien hoe hij erin slaagt op originele wijze deze voor hem belangrijke partij te winnen.
Achter in zijn boek beschrijft Eingorn de beslissingen die hij nam tijdens een partij die hij in hetzelfde jaar tegen Michail Brodsky speelde. Ik nam er bijzondere interesse kennis van. Eingorns stelling deed me terugdenken aan een partij die ik in 1985 tegen Jan Kalkwijk uit moest spelen.
Voor de tweede keer werd de partij afgebroken. Deze stelling bleek gelukkig voor mij in de eindspelboeken voor te komen. Smyslov – Keres (1949) Wit: Kb2, Tg8, pion a3; zwart: Ka5, Tf4, pionnen b5 en c4. Kalkwijk gaf de partij remise zonder verder te spelen toen ik hem dit vertelde.
Remise was geen onaardig resultaat als je bedenkt dat Tigran Petrosjan tijdens het Kandidatentoernooi van 1959 zo’n eindspel van Helgi Olafsson verloor!
T. Petrosjan – H. Olafsson (Zagreb, 1959)
Wit: Kg3, Tb6, ph3; zwart Kh8, Ta4, pionnen f6 en g7.
Svetozar Gligoric en Viacheslav Ragozin stellen in het toernooiboek dat deze stelling remise is. Een precieze verdediging is echter noodzakelijk. Ze vragen zich af of wit zijn pion naar h4 mag spelen en concluderen dat dit kan mits wit eerst zijn toren naar de achtste rij speelt.
Het is boeiend te lezen hoe Eingorn tijdens zijn partij tegen Brodsky besluit af te wikkelen naar zo’n eindspel en dat hij met meer geluk dan wijsheid erin slaagt het ook te winnen.
V. Eingorn – M. Brodsky (Bydgoszcz, 2001)
Wit: Kg1, Td5, Td7, pionnen f2, g2 en h3; zwart: Ke6, Tc2, Pc4, pionnen d2, g6, h6.
Eingorn merkt op dat het duidelijk is dat de zwarte pion op d2 de witte stukken op zodanige wijze aan hun plaats vastnagelt dat er geen serieuze gronden voor wit zijn om op winst te spelen. Een toreneindspel met drie pionnen tegen twee is nauwelijks een acceptabel plan en kan het beste voor de toekomst bewaard worden. Onderwijl tracht wit iets beters te verzinnen. Ik herinnerde me, schrijft Eingorn, een gesprek van jaren terug met grootmeester Anatoli Vaisser. Hij besprak met mij de resultaten van zijn onderzoek naar toreneindspelen waar wit de pionnen op de f- en g-lijn had tegen zwart een pion op de h-lijn. Sinds die tijd was ik nooit in de gelegenheid geweest om zo’n pionnenstructuur te behandelen; maar nu had ik de kans om zo’n situatie op het bord te brengen.
