Doctor doceert

Doctor doceert

Doctor doceert                                                                                                          Manuel Nepveu

 

XLVIII  Hinder

 

“Hinder” is het onderwerp van deze aflevering. Andermaal een enigszins “soft” onderwerp in deze serie. Er bestaat echter enige aanleiding voor de keuze van dit onderwerp. Of beter: er zijn twee aanleidingen, eentje licht van toon, de ander bepaald niet.

Laat ik met de lichte toon beginnen. Kortgeleden leerde ik via onze onvolprezen webstek dat een deelnemer aan een of ander toernooi zich officieel zou hebben bezwaard bij de wedstrijdleiding, omdat hij duidelijk werd/was afgeleid door de welvingen van zijn tegenstandster tijdens de partij. Hij had deze partij uiteraard verloren. Het kan bijna niet anders of de hele schaakwereld heeft daar met een grote grijns nota van genomen. Als de goede man dacht dat hij hiermee een probleem heeft aangesneden dat “leeft” in de schaakwereld dan weet hij nu wel beter. De hinder die hij ondervond werd niet als serieus beschouwd, in ieder geval niet in de vorm waarin die zich aan hem voordeed.

Van vrouwelijke schakers wordt dus in het vervolg nog steeds niet verwacht dat zij een burqa dragen of hun welvingen operatief laten verwijderen voor toernooibegin.

Trouwens, onze Bannink kan over dit onderwerp meepraten. De clubkampioen van Promotie heeft onlangs op het Isle of Man “moeten” spelen tegen Almira Skriptsjenko. Gezien de foto op onze webstek moet meisje Skriptsjenko er tochtig bij gezeten hebben. Maar Bannink heb ik hierover niet horen klagen. Sterker nog, zijn op het bord ten toon gespreide diepe inzicht hield volkomen gelijke tred met zijn optisch diepe inzicht elders. Het Goede Gevoel moet bij onze Bernard dik aanwezig zijn geweest. Hoezo hinder van natuurlijke welvingen?

 

Serieuzer en minder aangenaam was een voorval dat zich onlangs op onze vereniging voordeed. Daar bleek Hielke Kuipers in een externe wedstrijd een tegenstander tegenover zich te hebben die als gevolg van een handicap bewegingen maakte en geluiden produceerde die storend waren. Tijdens de partij begon de ergernis daarover. Samen met het onvermijdelijke concentratieverlies zorgde dit voor een nul, maar vooral voor een vervelende avond.

Niks “Goed Gevoel”. Hielke schreef de frustraties van zich af in een column, waarbij hij zich afvroeg wat een schaker eigenlijk moet dulden van zijn tegenstander.

Mijn eigen ervaringen op dit gebied zijn gelukkig beperkt. Ik heb ooit een tegenstander over de vloer gehad (vooruitspelen van een wedstrijd in de PK van de HSB) die kennelijk enigszins ziek was. Hij hoestte en proestte en hij had kennelijk niet de beschikking over een zakdoek. Daarbij kwam nog dat mijn facie niet altijd werd ontzien. Tot overmaat van ramp had deze persoon ook zijn darmen niet geheel onder controle. Ik heb dan ook maar geen lucifers aangestoken… Als gastheer voelde ik me bezwaard om een duidelijk signaal af te geven, al heb ik dat weldegelijk serieus overwogen tijdens de partij. “Nepveu heeft remmingen” hoor ik de vreselijke Eggink al inkoppen. Hoe dan ook, het was geen aangenaam avondje.

Nu zullen de oplettende lezertjes scherpzinnig opmerken dat de situatie van Hielke toch een tikje anders was dan die van mij. Zijn tegenstander vertoonde storend gedrag als gevolg van een handicap en kon daar dus niets aan doen; mijn tegenstander was grieperig en had kunnen besluiten om niet te spelen. Hij was dus weldegelijk verantwoordelijk voor zijn stooracties. Als er een wedstrijdleider aanwezig was geweest -quod non- had ik kunnen protesteren, vermoedelijk met een serieuze kans op ingrijpen zijnerzijds.

 

Ik wil me in het vervolg beperken tot de situatie van twee teams die in het kader van de externe competitie met elkaar worden geconfronteerd. Dit is namelijk bij uitstek een situatie waarin zich “verrassingen” kunnen voordoen.

Wat wordt er eigenlijk in redelijkheid in zulke omstandigheden van het incasseringsvermogen van een schaker verwacht? Wat is onredelijke hinder? Toegesneden op de situatie hierboven: wat wordt een speler geacht te verdragen van een tegenstander die een handicap heeft?

Hielke schreef in zijn column dat hij geen informatie hieromtrent had gevonden. Ik ben niet verbaasd.

Toch lijkt het mij evident dat er weldegelijk grenzen zijn. Een enkel, met opzet vergezocht, voorbeeld moge hier volstaan. Een persoon die lijdt aan het syndroom van Gilles de la Tourette kan volkomen willekeurige uitingen ten beste geven van bijvoorbeeld godslasterlijke aard. Het is een handicap waar de lijder zelf uiteraard veel last van ondervindt. Even zo goed, de teamleider die zo’n speler als teamgenoot in een externe wedstrijd meeneemt naar een Christelijke schaakvereniging kan bij voorbaat de nodige opschudding verwachten. Ik kan mij werkelijk niet voorstellen dat een scheidsrechter een protest tegen zulk taalgebruik zou afdoen met de opmerking dat de godslasteraar nu eenmaal een handicap heeft (“Jammer dan.”).

In het schaakreglement zijn geen artikelen opgenomen als “Het is de speler verboden in de speelzaal te kwijlen, een snottebel te hebben of scabreuze, dan wel godslasterlijke taal te bezigen.” en iedereen kan wel bedenken waarom dergelijke artikelen niet in het reglement zijn opgenomen. Voor de hier genoemde gevallen hebben we nu typisch het toverartikel dat stelt dat de scheidsrechter beslist in gevallen waarin het reglement niet voorziet.

Maar hoe moet een scheidsrechter dat dan doen? Eerlijk gezegd lijkt een en ander me niet zo ingewikkeld. Met enige tact namelijk. Van een scheidsrechter mag je verwachten dat hij wel kan taxeren of hij iemand direct verantwoordelijk kan houden, of dat in de vigerende situatie enige tact geboden is. In het laatste geval kan hij de teamleider van het protesterende team aanraden om de wedstrijd dan maar met samengeknepen billen uit te zitten en officieel protest aan te tekenen.

 

Maar er is nog een aspect waar ik op wil wijzen, een aspect dat misschien wel eens over het hoofd wordt gezien. Een teamleider mag best beseffen dat een speler aan wie zijn spelers gewend zijn, die zij graag mogen, wiens handicap voor hen een vanzelfsprekendheid is, voor onvoorbereide tegenstanders een niet al te aangename verrassing kan zijn. Het lijkt mij niet meer dan verstandig, om niet te zeggen goochem, wanneer in voorkomende gevallen even een telefoontje wordt gepleegd. De tegenpartij kan een tegenstander uitkiezen die tegen een stootje kan. Protesten zijn dan bij voorbaat uit de lucht, dan wel kansloos. Ook vermijdt men op die manier dat er een column geschreven wordt waarover vervolgens dan weer wordt geklaagd door een vertegenwoordiger van het andere team. Het is in ons niet-meer-helemaal-zo-goede vaderland dezer dagen uiterst actueel: je moet rekening houden met elkaar. A met B, maar ook B met A.

Het leven kan soms verschrikkelijk eenvoudig zijn.

                                                                                                                                             Manuel Nepveu

 

 


Scroll naar boven