Vooroordelen over en van schakers
“Nee Karel, nee.. Ik kan je niet meer velen,
Ga jij maar liever schaken met de interlectuelen.”
In deze klassieker wordt een wijdverbreid vooroordeel tot uitdrukking gebracht: Schaakspelers zijn intellectuelen en dus intelligent. Het is alleen daarom al een vooroordeel omdat in die uitspraak een dubbele, ontoelaatbare generalisatie opgesloten ligt. Zoals wij allen weten hoeft er slechts een enkele uitzondering gevonden te worden om het wetmatige karakter van een uitspraak te falsificeren. En in dit verband zijn uitzonderingen makkelijk te vinden. Intellectuelen zijn vaak verre van intelligent, de schaakspeler bestaat niet en naar de sluitende definitie van intelligentie wordt trouwens ook nog steeds wanhopig gezocht.
Maar ja…., aan een uitspraak als : “Onder diegenen die als liefhebberij zich wijden aan het doordacht verplaatsen van schaakstukken teneinde de koning van de tegenstander in een matnet te verstrikken, komen veel individuen voor die met denkarbeid hun maatschappelijk bestaan invullen”, kleven ook zo een paar bezwaren.
Met de hierna volgende gebeurtenis tijdens de jaren zestig, waarin ik zelf de slachtofferrol vervulde, werd mij de onwaarheid van de generalisatie echter nog eens stevig ingewreven.
Eens nodigde een kennis van de schaakvereniging waarvan ik net lid was geworden, mij uit hem te vergezellen naar een typisch Groninger fenomeen, een locale harddraverij bij het dorpje op het Groninger Hoogeland waarvandaan hij afkomstig was. Ik was ongeveer een jaartje terug in Groningen stad, na verblijf buitenslands, was gaan studeren, en in die periode voorzag ik in mijn levensonderhoud met een baantje als nachtportier van het Academisch Ziekenhuis aan de Bloemsingel/Oostersingel te Groningen. Om acht uur werd ik afgelost en als ik om negen uur een college moest bijwonen, kwam ik langs café ‘De Gouden Zweep’ waar ik dan even aanlegde voor een kop sterke, zwarte koffie om nog even wakker te kunnen blijven. Zoals de naam al suggereert werd dit café gefrequenteerd door paardenliefhebbers en drafsportfanaten en ik was gefascineerd door hun verhalen over gouden tips waardoor ze met weddenschappen op één middag een maandinkomen binnenhaalden. De uitnodiging van mijn kennis werd dan ook zonder aarzelen aangenomen.
Na afloop van het middagje drafsport toen ik een week van mijn maandbudget er door heen had gejaagd, nam de kennis mij mee naar het nabijgelegen café Sikkema. Hij wilde mij voorstellen aan een dorpsgenoot. Iemand die met Kor aangesproken werd maar de ‘pikkerichter’ genoemd werd als hij er niet bij was. Een paardenhandelaar die vaak gevraagd werd behulpzaam te zijn als een hengstige merrie gedekt moest worden. Ieder die wel eens bij zo’n sessie aanwezig is geweest zal begrijpen wat er met de bijnaam bedoeld wordt. Deze ‘pikkerichter’ was een reusachtige kerel van middelbare leeftijd. Twee meter hoog en een meter breed, pet op de kop, zandkleurig soort stofjas, druppel aan een blauwige neus, rotan wandelstok, op en top de veehandelaar.
Hij was mij al eerder die middag terloops opgevallen toen ik mijn kennis met de man had zien praten. Op dat moment, na een tip van een ‘kenner’, was ik echter juist bezig met het plaatsen van een laatste rijksdaalder op een ‘zeker’ paard waardoor al mijn voorgaande verliezen goedgemaakt zouden moeten worden. Quod non.
De veekoopman als mensensoort was mij niet geheel onbekend. In de stad Groningen werd in die jaren op de dinsdag nog een belangrijke veemarkt gehouden. Uit de wijde omtrek werd tijdens het ochtendgrauwen het vee aangevoerd. Op de dinsdagen hadden sommige kroegen rond de veemarkt dan ook vergunning ’s ochtends om half vier te openen. Er was daardoor in de loop der tijd een merkwaardige symbiose ontstaan tussen de doorzakkende studentenpopulatie en de veehouders en veehandelaren. De studenten die de nacht in gepaste vrolijkheid hadden doorgebracht konden hier nog een afzakkertje halen. Meestal werden ze dan vrijgehouden door de veekooplui die met hun met bankbiljetten uitbollende portefeuilles, er genoegen in schepten die ‘studentjes’ na een ‘hoogstaande discussie’ straalbezopen onder tafel te doen belanden. Ook de ‘pikkerichter’ meende ik daar wel eens gezien te hebben.
“Hejje veul verloor’n bie de peerdjes mienjong ? Nogal? Kastelein geef dizze meneer een borrel. Most ook nait wedd’n op peerd’n dei je nait kent. Peerd’n, da’s ja ‘n aparte wetenschap waar je veul van af mot weet’n om er wat centjes aan te verdienen. Zo…., meneer is dus student. Wat studeert u dan wel ? Aardrijkskunde? Da’s’n mooi vak. En hebt u ook hobby’s?”.
Zo opende hij de conversatie en ging hij verder nadat mijn kennis mij aan de bar aan hem voorgesteld had.
Toen ik hem in antwoord op zijn laatste vraag vertelde dat ik graag een potje mocht schaken reageerde hij met: “Schaak’n? Da’s nou touvallig, dat heb ‘k vrouger ook wel eens doan. Kastelein hejje nog dat schaakspel achter de toog ligg’n ? U als intellectueel zal wel winn’n moar dat moakt mie niks oet. Loat’n w’ eIk moar vief guld’n inzett’n, dan hejje kans misschien weer wat terug te winn’n van je vergokte guldentjes bie de droaverij”. ►
Ik lootte wit, opende met e4 en na zijn antwoord e5, dacht ik de genante maar financieel aantrekkelijke klus snel af te maken door met f4 te vervolgen. Met een hand als een kolenschop verplaatste hij daarop zijn d7 pionnetje naar d5: het Falkbeer tegengambiet ! Dit had te denken moeten geven, maar dat de man een serieuze schaker zou kunnen zijn kwam mij zo absurd voor dat ik me onbekommerd in roekeloze avonturen stortte. Mijn arrogante waaghalzerij werd echter nuchter en doeltreffend opgevangen. Na zo’n 20 zetten kon ik opgeven. Er stonden enkele mensen om ons bord, waaronder mijn kennis, die me met een meewarige grijns bekeken.
Natuurlijk moest ik een revanche en gewaarschuwd besloot ik het met zwart behoudender aan te pakken. Op zijn e4 antwoordde ik g6 om naar de Pirc verdediging te streven. Hiermee meende ik me op mij theoretisch bekend terrein te begeven. Na de eerste zeven zetten kwam de bekende h4 aanval en wederom kon ik na 18 zetten opgeven. Ik was, samen met mijn verliezen op de renbaan nu de helft van mijn maandbudget kwijt. (een pilsje kostte toen nog zestig – oude – centen en een warme maaltijd in de mensa een gulden).
Zonder een spoor van triomf of emotie en met zijn rotan stok tussen de benen zette mijn tegenstander de stukken terug in de beginstand en bood me nog een borrel aan. “Ik ken toch wel zain dat meneer het spelletje wel eens voaker speult het”. Een dodelijk compliment, bijna een regelrechte belediging !
Toen hij mij uitdaagde voor een derde partijtje met als inzet dubbel of kiet was ik dan ook geladen. We speelden (uiteraard) zonder klok en de schaakethiek schrijft voor dat je dan niet tè lang over je zetten mag nadenken. Na een wederzijds vlot gespeelde opening was de situatie aardig in evenwicht. Ook omstreeks mijn vijftiende zet dacht ik niet erg lang na omdat de zet ogenschijnlijk voor de hand liggend was. Na het loslaten van het stuk zag ik echter tot mijn schrik dat ik hierdoor mijn tegenstander de mogelijkheid had geboden met een fraaie combinatie ook de derde partij in zijn voordeel te beslissen. Een flauwe glimlach speelde om de lippen van mijn opponent en ik twijfelde er niet aan dat ook hij de combinatie zag. Het zweet brak me uit en ik begon koortsachtig te bedenken van wie ik nog een geeltje zou kunnen lenen om de maand door te komen.
Het zwaard van Damocles viel echter niet. Even onderbrak mijn tegenstander zijn gepeins, keek mij van onder zijn borstelige wenkbrauwen donker aan, mompelde wat en in plaats van met de beslissende zet het zwaard te doen nederdalen, trok hij een paard terug en na enkele afruilen mocht ik blij zijn met remise weg te zijn gekomen. Eigenlijk zou ik moeten zeggen: ‘stond mijn tegenstander mij toe remise te maken’. Ik had niet de moed te vragen waarom hij de winnende zet niet had uitgevoerd. Ik wist dat het antwoord: “nait gezain”, een leugentje zou zijn geweest.
Een zwarte dag, maar ik bleef heer. Ik stond op, betaalde en feliciteerde mijn tegenstander. Zelfs toen de ‘pikkerichter’ neerbuigend zei: “Nog moar ’n beetje oefenen mienjong, dan kom je nog ’n hail end” bleef ik stoïcijns en nam beleefd van hem en de omstanders afscheid. Gelukkig hoefde ik weinig af te rekenen bij de kastelein. Nauwelijks buiten, samen met de kennis in de druiligere avond platzak op weg naar het stationnetje van de ‘Blauwe Engel’ zoals het dieseltreintje van de lijn Roodeschool-Groningen genoemd werd, gooide ik alle remmen los. Ik vloekte alle duivels uit de hel. Enkele passanten keken geshockeerd om.
Toen we in het treintje zaten vertelde de kennis grijnzend dat ik me niet hoefde te schamen. De vrijgezelle ‘pikkerichter’ had naast de paarden slechts één levenslange passie en dat was schaken. Door zijn ongeregeld leven was hij echter nooit clubspeler geworden of had hij meegedaan aan officiële toernooien. Ik was betrekkelijk nieuw in die noordelijke contreien, anders zou ik ooit wel eens van de man als schaakfenomeen gehoord hebben. Verder bekende hij dat hij daarom de verleiding niet had kunnen weerstaan om, samen met de ‘pikkerichter’ en de kastelein (die anders nooit een schaakbord en stukken achter de toog had), de confrontatie te arrangeren en mij er bewust in te laten stinken teneinde mij wat bescheidenheid bij te brengen. Daarop haalde hij uit zijn binnenzak een tientje. “Dit moest ik je nog even geven van de ‘pikkerichter’.” Hetzelfde tientje dat ik aan de ‘pikkerichter’ had moeten overhandigen na zijn winstpartijen. Ook sociaal was ik in een lelijk matnet gelopen. Mijn afgang was volledig.
Behalve dat het hanteren van vooroordelen uit den boze is, heb ik uit deze pijnlijke afgang de lering getrokken dat elke tegenstander gezien dient te worden als een neutrale ‘non-entiteit’, hooguit als een hand die zo nu en dan de situatie op het bord verandert. Ook bij een tegenstander van vlees en bloed zou je idealiter dezelfde houding aan moeten nemen als bij het spelen tegen de gevoelloze computer. Sindsdien heb ik dan ook altijd geprobeerd louter de positie van de stukken op het bord te beschouwen en van hieruit de mogelijkheden te analyseren. Ik probeer het altijd weer, jawel, maar helaas blijkt ook altijd weer het vlees zwakker dan de leer, vooral nu meestal de rating bekend is.
Als ik weet dat de rating van mijn tegenstander 200 punten hoger is heb ik al bij voorbaat verloren omdat ik angsthazerig te passief speel en als mijn tegenstander 100 punten minder heeft, loop ik ook grote kans te verliezen omdat ik denk dat ik wel zal winnen en alle voorzichtigheid uit het oog verlies.
Het blijft tobben… Max Toxopeus
