Het schaakprobleem van Musset

In het grote vertrek met de vergulde lambriseringen zorgen de kaarsvlammen op de kandelaars voor een grillig schimmenspel, waa

Het schaakprobleem van Musset                       Otto Berger [oud-lid]

 

 

In het grote vertrek met de vergulde lambriseringen zorgen de kaarsvlammen op de kandelaars voor een grillig schimmenspel, waardoor de gelaatstrekken van de spelers achter de borden zich scherper aftekenen. Ze doen “aan houtje schuiven” in Venetië, zoals elders in Europa en in de wereld, sinds de grote Philidor  het koninklijke spel in ere heeft hersteld en haar grondbeginselen zo helder heeft geanalyseerd, dat het lijkt alsof voortaan iedereen schaken kan leren.

 

Aan de middelste tafel, waar enkele toeschouwers een partij staan te volgen en achter hun vuistje soms met elkaar fluisteren, lijken de tegenstanders nauwelijks op elkaar. De ene is een gezette vijftiger met een breed voorhoofd, zwaarlijvig en kaal, met die voor Italianen zo kenmerkende  sombere, beweeglijke en expressieve blik, die snel als een kameleon en trefzeker als een ervaren toneelspeler, list, naïviteit, reflexie en wanhoop uitdrukt. De ander is een baardeloze jongeman, met roze meisjeswangen, fijn blond haar, een buitenlander wellicht, met een bijna kinderlijke blik en uit wiens blauwe, dromerige ogen zowel melancholie als intelligentie spreekt. Te oordelen naar de gebarentaal van de dikke man, verloopt de partij niet in het voordeel van de lokale speler. Hij strekt zijn hand uit naar een stuk, trekt hem daarna terug, wrijft stevig

in zijn handen onder komische verzuchtingen, strijkt zijn grijze haarkroon rond de oren glad, trommelt op zijn kin, terwijl zijn verschrikte ogen van links naar rechts gaan. Tenslotte neemt hij een beslissing en ruilt hij met een groot gebaar een stel torens.         

 

 

-U heeft een hele goede stelling, heer Musset, maar … zonder pionnen en slechts één toren. Als het me lukt om die te ruilen tegen mijn paard, kunt u me nooit meer mat zetten met uw twee overgebleven paarden.

– U doet er beter aan niet te zweren, want ik meen te hebben gehoord dat het mogelijk is.

-Dat betwijfel ik; in elk geval is daar zo veel tijd voor nodig, dat dan de 40 zetten-regel overschreden wordt.

Zonder antwoord te geven staarde Alfred de Musset aandachtig naar de stelling en verplaatste in gedachte zijn stukken.

-Wel! heer Cornaro, en als ik u nu eens mat in drie aankondig?

-In drie zetten? Men heeft me verteld, dat u een groot dichter bent. Ik heb gezien, dat u ook heel sterk kan schaken, maar ik wist niet dat u kon toveren. -Toch denk ik, dat u mijn combinatie niet kunt verhinderen.

– Het is zeker geen mat met twee paarden, want u heeft nog een toren.

– Oh! Die toren wil ik best offeren.

– Is het dan mat in drie zonder de toren?

– Nogmaals, die toren wil ik graag eerst geven.

Op dit moment groeide het aantal toeschouwers, omdat spelers die hun partij beëindigd hadden in de galerij samenstroomden. Ze stonden met wijd open gesperde ogen vergeefs te zoeken naar de oplossing van deze raadselachtige stelling. Ook Cornaro onderwierp de positie  op het bord aan een uitgebreid onderzoek en aan zijn gezicht kon men zien, dat hij afwisselend diep ernstig was, even later steeds minder overtuigd raakte en tenslotte een bijna ironische zelfverzekerdheid uitstraalde.

– In drie zetten! U maakt een grap, heer Musset. Ik denk dat dat echt niet kan, zelfs mét een toren, als ik me tenminste niet laat beetnemen.

– Kom, laten we doorgaan met de partij! Dit is mijn eerste zet.

Cornaro mompelde:

– Natuurlijk moet ik dit antwoorden … Ik heb geen keus, maar het vinden van de volgende zet zal veel tijd kosten.

– En dit is mijn tweede.

– Ik heb nog steeds geen keus.

– En nu …..

Vol ongeloof bogen Cornaro en de toeschouwers zich boven het bord. De koning stond gewoon schaakmat; de twee paarden controleerden alle vluchtvelden.

Cornaro zijn handen, greep de hand van zijn Na een paar seconden van verbazing spreidde jonge tegenstander, die hij krachtig schudde terwijl hij uitriep:

– Fantastisch! Buitengewoon! Ik beloof u, meneer Musset, dat onze schaakclub uw bezoek nog lang zal heugen en ik zal er op toezien dat uw naam in ons guldenboek komt te staan, zodat u bij vele toekomstige generaties Venetianen bekend zult blijven, zelfs als uw dichtregels u niet zo onsterfelijk maken als Petrarca en Dante.

Alle aanwezigen waren het met hem eens en feliciteerden de jongeman, die weer terug leek te zijn vervallen in zwaarmoedigheid. Hij excuseerde zich met een vale glimlach en beloofde een der volgende dagen terug te komen. Daarop verliet hij het vertrek en dook de kouwelijke januari-nacht in, via smalle straatjes en kleine bruggetjes, op weg naar Hotel Danieli, waar een zieke George Sand op hem wachtte. Hij wierp nog een geamuseerde blik op de maan die loodrecht, als een punt op de i, boven de kerktoren van de Santa Maria Formosa stond.

 

De naam Musset komt inderdaad voor in de archieven van de Schaakclub van Venetië en ook al is hij als dichter bekender dan als schaker, die soms in het Café de la Régence of in Procope  de degens kruiste met de beroemde La Bourdonnais, zijn driezetter, misschien achter het bord bedacht, laat toch iets van zijn elegante stijl zien.

 

Uit Aventuriers du Jeu Royal, J.Malaplate / Ch.D.Maray

 

– Alfred de Musset (1810 – 1857), schrijver.

– François André Danican Philidor (1726 – 1795),              componist en schaker. Publiceerde in 1749 Analyse     du jeu des échecs. Zijn naam leeft nog voort in de

openings- en eindspeltheorie (toreneindspel).

– Petrarca (1304 – 1374), dichter en humanist.

– Dante (1265 – 1321), schrijver.

– George Sand (1804 – 1876), schrijfster. Heeft ook een relatie met Chopin gehad.

– La Régence en Le Procope, al bekende Parijse koffiehuizen in de 18e eeuw waar geschaakt werd.

– Bertrand François Mahé comte de La Bourdonnais (1699 – 1753), zeeman, bestuursambtenaar en schaker

 


Scroll naar boven