“De borsten van Caïssa.” door Manuel Nepveu
Het kan U niet ontgaan zijn, beste schaakvriend, dat er verwoede pogingen worden gedaan om onze muze, onze Caïssa, een gezicht te geven. Erg origineel is dat plan niet.
De Fransen hebben zich enkele jaren geleden al afgevraagd hoe hun Marianne er uit moest zien, hun nationale boegbeeld. Na een nationale verkiezing is het, geloof ik, een bestaand meisje uit de Provence geworden, …of uit Brest, …of uit Parijs-Noord-Oost. Hm. Ik weet het niet meer, het doet er ook niet toe. In ieder geval kan iedere Fransoos zich nu bij ieder postkantoor aan zijn Marianne vergapen. Een echt bestaand meiske. Mooi. Prima.
Maar moeten wij dit plan nu ook trekken ten aanzien van onze muze? Dat is maar de vraag.
Om te beginnen, wat weten wij eigenlijk van Caïssa? In Murray’s gezaghebbende “A History of Chess” staat wel iets over haar geboorte geschreven. Caissa is geboren in 1763. Dat is volstrekt helder. Een Britse dichter, Sir William Jones, was aanwezig bij haar geboorte. Wat heet, hij creëerde haar in een gedicht. Nadat zij uit het hoofd van haar creator was ontsproten, zoals dat bij klassieke godinnen wel vaker is gebeurd, is zij haar eigen leven gaan leiden. En over dat verdere leven is eigenlijk niets bekend. Onheilspellend, absoluut onheilspellend. Misschien is zij wel hoerenwaardin in Eastend geworden, of moeder van eenentwintig kinderen. Want van het schaken kon je in haar tijd niet leven. Neen, het moet Caïssa beslist kommervol vergaan zijn. Allemachtig, je wilt toch niet weten hoe zo iemand er dan na tweehonderd en eenenveertig jaar uitziet? Neen, het uiterlijk van Caïssa moeten we maar met de mantel der liefde bedekken.
Dan zou je inderdaad kunnen besluiten om, in weerwil van de geschiedkundige werkelijkheid, een echt bestaand meisje van nu tot Caïssa te bombarderen. Ja, dat kan. Weinig scrupuleus, maar het kan. Op onze site kun je stemmen op Antoaneta Stefanova, Alexandra Kosteniuk, de Venus van Milo, de Madonna van Michelangelo, en verder op Carmen Kass, Almira Skriptsjenko, Regina Pokorna en Judith Polgar.
Dit nu, bevalt mij helemaal niet. Ruim een jaar geleden, nadat ik een bliksempartij had gewonnen, schreef ik geestdriftig in het clubblad, dat ik Caïssa heel even bij de deur van de speelzaal had zien staan, op vuurrode schoentjes, in een zwartleren rokje, een gastvrije blouse en met opgebonden haren. En dat ze een zweepje in haar hand had. En dat ze schaterde.
Ik vind het maar niets dat er nu een echt gezicht op Caïssa wordt geplakt, dat zij voorzien wordt van echte haren en echte borsten. IK bepaal hoe de borsten van mijn Caïssa er uit zien.
Neen, het is geen goed plan.
