“Zoo lang een koning mat staat mag er met zijn spel niet gespeeld worden”
“Zoo lang een koning mat staat mag er met zijn spel niet gespeeld worden”
Hierbij dan zoals beloofd het tweede deel van het oude schaakreglement uit 1869, ditmaal voor vier spelers. Let goed op het schaak zetten van de Koningin, het mat geven en het totaal onbegrijpelijke Artikel 12.
Gerhard Eggink
|
REGLEMENT
op het
SCHAAKSPEL MET VIER SPELERS
Al de regels op het gewone schaakspel, zoo als deze hiervoor zij nopgegeven, zijn toepasselijk op het schaakspel met vier spelers; met uitzondering alleen van Artikel 1, dat geheel vervalt, en van de Artikels 16 en 21, die vervangen worden door de Artikels 13 en 17 van deze regels. Artikel 19 blijft toepasselijk, mits men in het oog houde, dat het laatste vak vooruit niet anders is dan het veertiende, en derhalve, dat de Pion van de Torens, wanneer zij door buitenwaarts nemen op eene van de korte rijen ter regter of linker zijde geraakt zijn, niet aan het vereischte voldoen, wanneer zij tot het laatste vak van zoodanig eene rij voortrukken.
Art.1. Het Bord is gemaakt gelijk een gewoon schaakbord, aan hetwelk aan iedere der vier zijden drie rijen, ieder van acht vakken, bijgevoegd zijn, zoo dat het bord veertien vakken over kruis heeft, doch dat in elken der vier hoeken eene ledige plaats blijft, ter grootte van drie vakken in het vierkant.
Art.2. Men speelt met twee lichtkleurige en twee donkerkleurige spellen, die ieder geplaatst worden, volgens de gewone regels van het schaakspel, met de Koningin op hare kleur.
Art.3. De Spelers zijn twee tegen twee te zamen verbonden. De verbondenen zitten naast elkander, of tegenover elkander, naar verkiezing; doch hoe zij zich ook plaatsen mogen, moeten de
|
lichtkleurige spellen te zamen spelen en de donkerkleurige insgelijks.
Art.4. De beurt van spelen gaat van de linker- naar de rechterhand.
Art.5. Wanneer de verbondene spelers tegenover elkander zitten, dan trekt men, om te bepalen, wie van de vier het eerst spelen zal. Indien meer dan eene partij gespeeld wordt, gaat het regt van voorspelen bij de beurt rond, zoo dat, bij het begin van elke volgende partij, degeen, die achter de hand van den eersten speler der voorgaande partij zit, het regt heeft, om het eerst te spelen.
Art.6. Wanneer de verbondene spelers naast elkander zitten, dan trekt men, om te bepalen,of de lichtkleurige dan wel de donkerkleurige stukken het eerste zullen spelen. In dit geval behoeft er niet tusschen de beide verbondenen getrokken te worden, vermits nimmer diegene van twee verbondenen, die de voorhand heeft, maar altoos diegene van hen, die naspeler is, het eerste stuk zetten moet. Bij eene volgende partij gaat het regt om het eerst te spelen over aan den naspeler van de andere kleur.
Art.7. Om de partij te winnen, moet men beide Koningen van de tegenpartij hebben mat gezet.
Art.8. Wanneer een Koning schaak wordt gezet, moet men hiervan kennis geven, en de speler, wiens Koning schaak staat, is verpligt, zoodra de beurt aan hem gekomen is, den Koning buiten schaak te zetten, of te dekken, zonder zich te mogen verlaten op het spelen van zijnen Vriend, indien deze aan de beurt van spelen mogt zijn voor den speler van het |
|
stuk, dat schaak heeft gezet.
Art.9. Een Koning mag op eene plaats worden gezet, waar hij schaak zoude staan, al ware het, dat de verbondene speler aan de beurt kwame vóór den speler, wiens stuk schaak zoude geven, en derhalve in staat ware, den Koning te dekken, door het tusschen zetten van een stuk, of door het wegnemen van het stuk, dat schaak zoude geven.
Art.10. Wanneer, door het verzetten van een stuk, de Koning van den speler, of die van zijnen Vriend, zoude komen schaak te staan, dan mag men niet met dat stuk spelen, al ware het, dat de Vriend naspeelde en in staat ware, den Koning te dekken, vóór dat de Tegenspeler, wiens stuk schaak zoude geven, aan de beurt van spelen is.
Art.11. Wanneer eene Koningin schaak wordt gezet, dan moet men hier vooraf kennis van geven, en mag zij niet genomen worden, vóór dat de Speler, tot wiens spel zij behoort, gespeeld heeft. Doch indien eene Koningin schaak raakt, door het spelen van den speler zelve, of van zijn’ Vriend, dan mag zij, zonder voorafgaande kennisgeving, terstond worden genomen .
Art.12. Eene Koningin staat schaak, wanneer zij kan genomen worden. Zij staat derhalve niet schaak, wanneer het stuk van de Tegenpartij, dat op de plaats, waar zij staat, zoude kunnen komen, belet wordt zich te bewegen, omdat het een’ Koning dekken moet. De bedoelde Koningin raakt dan eerst schaak, wanneer, door het verzetten van den bedoelden Koning, door het verzetten van het stuk, (van de partij van de Koningin) dat dien Koning met schaak bedreigt, of door het tusschen zetten van een tweede stuk op de lijn, langs welke de Koning bedreigd wordt, aan het stuk van de partij van den Koning, dat op de plaats, waar de Koningin staat, komen kan, de vrijheid bezorgd wordt, om zich te mogen bewegen, en in dat geval moet de
|
Koningin worden gewaarschuwd.
Art.13. Geen schaak aan een’ Koning of aan eene Koningin is van kracht, indien de tegenpartij niet gewaarschuwd heeft. Indien het verzuim ontdekt wordt, en hij, die had moeten waarschuwen, nog niet weder gespeeld heeft, dan mogen de intusschen gezette stukken weder gespeeld worden; doch heeft hij weder gespeeld, dan blijft, hetgeen hij gespeeld heeft, staan, en allen, die na hem gespeeld hebben, herspelen hun laatste stuk; terwijl men het daarvoor houdt, alsof de laatste zet van dengeen, die had moeten waarschuwen, die zet geweest was, waardoor schaak werd gegeven.
Art.14. Wanneer een Koning mat staat, dan zijn al zijne stukken buiten kracht en onbewegelijk. Hieruit volgt: 1e. dat, zoo lang een Koning mat staat, met zijn spel niet mag worden gespeeld; 2e. dat de stukken van de tegenspelers vrij kunnen staan op al de plaatsen, welke anders door de stukken van het mat gezette spel bestreken worden; 3e. dat de stukken van het mat gezette spel niet mogen worden genomen.
Art.15. Zoodra een mat ontheven is, mag de speler op zijne beurt weder spelen; doch zijne stukken mogen niet worden genomen, vóór dat hij aan de beurt van spelen is geweest.
Art.16. Wanneer een Koning mat wordt gezet, wiens stukken een’ anderen Koning mat houden, of helpen mat houden, dan volgt van zelfs, uit Artikel 14, dat de eerst mat gezette weder vrij is.
Art.17. Wanneer er bij een van de spellen (de Koning buiten schaak staande) niets gespeeld kan worden, zonder dat de Koning schaak raakt, dan moeten de laatste, of moeten des noods de twee of drie laatste zetten herspeeld worden, om dit geval te voorkomen; anders blijft de partij onbeslist.
|
