Schlemiel
Schlemiel Manuel Nepveu
Wat je ook van (ex)-schaker Kasparov zeggen mag, uitstraling heeft hij wel. Als de man achter het bord zat of als hij zich ergens presenteerde, dan was er duidelijk iemand aanwezig. Voor alle andere wereldkampioenen gold dit ook, voor zover ik dat kan nagaan. Bij een van mijn jaarlijkse bezoeken aan Groningen zat ik in hetzelfde hotel als Karpov. Hij stond op een gegeven moment voor mij te wachten aan de hotelbalie. De baliemedewerkster liet nogal op zich wachten en dat zinde de grootmeester maar heel erg matig. Ook zonder dat hij ostentatief in woede ontstak, was het duidelijk dat hij vond dat hij met iets meer egards behandeld diende te worden. Hij was op dat moment allesbehalve een geduldige toerist; hij was aanwezig en zijn humeur eveneens. Bij hetzelfde toernooi was ook de vrouwengrootmeester Alisa Maric aanwezig. Ik zag haar ’s ochtends in de ontbijtzaal. Oogverblindend mooi, oogde zij ook nog eens zeer afstandelijk en ik zou niet weten hoe je met haar in contact zou kunnen komen als je zelf niet een topgrootmeester was. Zij was een vrouwengrootmeester met allure, zeker geen “lekker mokkel”.
Nog een karakteristiek voorval. Jaren geleden was de bij spelers van mijn generatie zeer bekende grootmeester Hort in het Stadshart om een simultaan te geven. Schaakvriend Eric kent hem persoonlijk en na afloop gingen Eric, de grootmeester en ik gezamenlijk wat eten. Reuze gezellig en toen Hort weer eens wilde opstappen stond hij op en ging weg zonder zich om de rekening te bekommeren. Het zou niet in mijn hoofd opkomen om hem erop attent te maken dat hij wellicht iets vergeten was.
In Nederland ligt dit allemaal heel anders. Veel topspelers hebben geen echte uitstraling (veel, niet alle) en hebben niet het aureool van ongenaakbaarheid van de eerdergenoemde personen. Ik neem aan dat er een samenhang bestaat met onze nationale, Calvinistische neiging om de kop niet boven het maaiveld uit te willen of mogen steken en ons gevleugelde gezegde “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”. Hoe het ook zij, de benaderbaarheid van de Nederlandse topspeler oogt wat groter. In een enkel geval slaat de zaak zelfs door naar de andere kant. Er zijn spelers die zo weinig allure ten toon spreiden dat je ze in voorkomende gevallen zou toeroepen: “Hé jij daar, geef de asbak eens even aan!”
Dat gevoel heb ik bij uitstek bij onze grootmeester Hans Ree. Grootmeester Ree oogt iets te vriendelijk, iets te gewoon, iets te …. schlemielig. Het spijt me wel, maar dat is de indruk die hij op mij maakt. Er bestaat een fotoboek met de koppen van 64 grootmeesters, gemaakt door fotograaf Frits Agterdenbos. Ook Ree staat er in. Ik zeg niets meer, behalve dan dat U dit boek maar eens moet inkijken.
De levensloop van Hans Ree zoals ik die meen te kennen heeft het aura van schlemieligheid misschien in de hand gewerkt. Ree studeerde ooit af als wiskundige en schijnt overwogen te hebben om aan een proefschrift te beginnen. Het kwam er niet van.
Ree speelde in veel toernooien, maar de grootmeestertitel wilde maar niet komen. Uiteindelijk heeft hij die titel wel gekregen … maar niet op de normale manier. De FIDE besloot hem de titel uiteindelijk maar te verlenen zonder dat hij strikt formeel aan de eisen had voldaan.
In kleine toernooitjes wilde Ree nog wel eens succes boeken, maar bij de toernooien met allure stond hij er net niet. Toen hij zich na de studie meer volledig aan het schaakspel ging wijden was er een zeven jaar jongere speler die hem volledig in de schaduw zette.
En “die bolle met dat ruitjesjasje”, oftewel grootmeester Donner, had altijd meer uitstraling, en het feit dat Ree hem in een match versloeg veranderde daar helemaal niets aan.
In het Hoogoventoernooi van 1971 won Ree van geweldenaar Kortsjnoj een partij in 64 zetten. Een prestatie van formaat dus. De dag daarna werd hij in acht zetten opgebracht door een andere Sovjetcoryfee en die partij ging de hele schaakwereld rond.[1] Hoeveel kan een mens verdragen zonder in de rol van schlemiel te vervallen?
Ik besluit dit stukje met nog een andere partij van onze grootmeester. In feite was die partij voor mij aanleiding om dit stukje te schrijven. Let op.
Hoezo schlemiel?
[1] Petrosian-Ree (Hoogovens 1971): 1 c4, e5 2 Pc3, Pf6 3 Pf3, Pc6 4 g3, Lb4 5 Pd5, Pd5x 6 cd5x, e4 7 dc6x, ef3x 8 Db3 (1-0)
