Doctor doceert
Doctor doceert Manuel Nepveu
XLIX Schaken met de Computer
Mijn eigen eerste contact met het computerschaak vond plaats in het midden van de jaren zeventig, toen ik al mijn verstandskiezen nog had. Op de Utrechtse Sterrenwacht zaten een clubgenoot van BSG en ik achter de PDP-11 te schaken met een programma dat via ponsband geladen moest worden. Het machien produceerde geratel en afschuwelijk slechte zetten en deed er nog lang over ook. Ik had het gevoel een freak te zijn. Toen nog wel.
Mijn tweede contact vond plaats op het Parijse vliegveld Orley. Wachtend op het vertrek zag ik in een van de taxfree shops een schaakcomputer met blinkerende lichtjes. De prijs was 2800 Franse francs, zo’n kleine 1000 toenmalige guldens, en toen ik een proefpartijtje speelde mocht ik van het beest niet lang rokeren in een stelling waarin dat volgens de FIDE-regels wel had gemogen.
Het was een spannende tijd, want de schaakwereld en de wereld van de Kunstmatige Intelligentie vroegen zich af hoe ver de computers zouden komen. In 1983 promoveerde van den Herik in Delft op een proefschrift dat over computerschaak, schaakwereld en kunstmatige intelligentie handelde[1]. In dat buitengewoon kloeke werkstuk liet van den Herik experts aan het woord. Worden schaakcomputers (toen sprak men nog van schaakcomputers, niet van softwarepakketten) zo sterk als meesterschakers? De schaakgrootmeesters hadden niet de indruk veel te vrezen te hebben, maar de programmeurs spraken deels andere taal. Een aardig voorbeeld was de door van den Herik opgetekende uitspraak van Donner: “Als ik nu zeg, dat dat nog 2000 jaar zal duren, zeg ik dus tevens dat dat in principe wel moet kunnen”.
We zijn ruim twintig jaar verder en ik hoef natuurlijk niemand te vertellen hoe de vlag erbij hangt. Het is snel gegaan, retensnel mag ik wel zeggen. Ook de commerciële ontwikkeling. Schaakprogramma’s worden verhandeld, gejat, en vooral gebruikt. Sommige spelers laten zich met enige regelmaat in vijf-minuten partijtjes door de electronische beestjes afslachten, andere gebruiken de programma’s bij de voorbereiding op concrete tegenstanders en weer andere spelers gooien hun eigen partijen door de analysemolen, met bijna altijd een ontnuchterend of zelfs deprimerend resultaat.
Er is echter een voor de hand liggende toepassing waarover ik tot op heden zelden iemand heb gehoord. Je kunt niet alleen vluggeren tegen de Fritzen en Rebellen van deze wereld, maar je kunt ook een serieuze partij tegen deze programma’s spelen. Mijn indruk is dat dit maar heel weinig gebeurt. En waarom eigenlijk? Als je tijd en energie genoeg hebt, kun je het opnemen tegen een tegenstander die nou eens niet aan het blunderen slaat, die nou eens niet de opening verkracht en die toch allerminst onfeilbaar is. De partij kan daarom heel spannend zijn: het staat niet bij voorbaat vast dat je met boter en suiker wordt ingemaakt, zoals meestal het geval is in een vluggertje.
Wanneer je een opening wilt inoefenen, dus met het daaruit resulterende speltype, is dit toch een machtig mooie toepassing? Bovendien kun je de condities helemaal zelf kiezen. Je kunt spelen onder condities die gelijk zijn aan die tijdens een officiële partij. Maar je kunt er ook voor kiezen om te kijken waar het programma tijdens de partij aan rekent en kritisch nagaan of je niet met wat beters kunt komen. Vooral als je voor jezelf hebt uitgemaakt dat je van de partij wilt leren, is dit een alleszins bevredigende optie. Het is in elk geval veel leerzamer dan alleen maar in het openingsboek bladeren en kijken wat de score met deze of gene variant is bij de grootmeesters. Immers, een partij bestaat uit meer dan de opening alleen…
De nu volgende partij werd gespeeld onder de laatstgenoemde conditie. Er werd gespeeld in een tempo van 40 zetten per uur per persoon op een Pentium II, 120 Mhz kloksnelheid, die in mijn toenmalige computer zat. “Oud beestje hoor, die computer van jou. Nog uit de tijd van de dinootjes, hè?” zegt een bol jongmens die met een pils in de hand aan de bar hangt. Toegegeven, het gaat om computertechnologie van tien jaar geleden, maar in een slordige tien seconden evalueerde het programma ook toen toch al meer stellingen dan jij in je hele leven zult aanschouwen, arrogante zuipschuit!
Toch is er nog een aspect waar ik niet over gesproken heb. Een schaakpartij bevat bij gelegenheid ook nog wel eens een eindspel. Zonder extra hulpmiddelen is het eindspel in veel schaakprogrammatuur een opvallend zwakke plek. Dat kun je goed zien als je kijkt naar de waardering van theoretische stellingen waarvan eenduidig vaststaat hoe ze beoordeeld moeten worden. Dat is soms lachen. Maar als de geëigende databases aan het programma worden gehangen is dat probleem voor een belangrijk deel opgelost.
Kortom, een serieuze partij spelen tegen hoogwaardige programma’s is iets waar je weldegelijk iets aan kunt hebben. Of bent U soms alleen bereid echt moeite te doen als er een met bloed en zuurstof gevoede processor tegenover U zit?
[1] H.J. van den Herik, 1983, Computerschaak, schaakwereld en kunstmatige intelligentie, Academic Service
