De zolderkamer in mijn huis is mijn studeervertrek. Er kan ook geslapen worden.
Onlangs zat ik op de zolderkamer en liet mijn oog glijden langs de vijf Ikea-kasten waarin mijn boekenbezit is opgetast. Links achter mij de met redelijke zorg samengestelde bibliotheek met mathematische en natuurkundige leerboeken en standaardwerken, daarnaast mijn in totaal twee meter schaakboeken. Rechts van me kijk ik op wat oudere boeken van verschillend signatuur, die ik deels geërfd heb en daartussen staat parmantig een rij Bommeltjes. Reisboeken, Jules Verne bandjes en een aantal kunstboeken die ik nooit zelf gekocht zou hebben, completeren het geheel. O ja, er is nog de ENSIE, geschreven vlak na de Tweede Wereldoorlog, een optimistische encyclopedie voor intellectuelen.
Mijn oog valt op een boek met een rood kaft: “Inleiding tot de waarschijnlijkheidsrekening.” Dr. A.J.Stam. Op een van de eerste bladzijden heb ik mijn naam geschreven en “Den Haag, 23/10/98. Gekocht vanwege het verzorgde Nederlands!”
In 1964 werd het boek geschreven ten behoeve van de studenten aan de “Technische Hogeschool te Delft”. Het is een goed boek, heel mooi geschreven en het gaat dus over kansrekening. Het onderwerp wordt gepresenteerd op een manier die me uit Engelstalige literatuur bekend voorkomt. Met de al vaker geziene verontschuldiging dat de student niet van meet af aan vergeven wordt met bewijzen die uit de meest rigoureuze krochten van de wiskunde komen. Mag het een onsje minder zijn?
Desalniettemin, het boek is een kathedraal van kennis, maar het is duidelijk dat er op het moment geen kopieën meer van deze kathedraal gemaakt worden. Op het internet vind ik dat er weldegelijk nog naar dit boek verwezen wordt door een Groningse docent in dit vak. Begrijpelijk misschien, want de auteur werd rond de tijd dat het boek verscheen hoogleraar Waarschijnlijkheidsleer in die stad. Verre opvolger van de illustere Johann Bernoulli….
Een decimeter verderop staat een boek met een grijs kaft: Astrophysical Jets. Proceedings of an international workshop held in Torino, Italy, 7-9 october 1982. Op bladzijde 303 begint een artikel “Instabilities in astrophysical jets” van ene Nepveu. Het Engels is hopeloos origineel. Onaangename telegramstijl. Verder staan er nog zo’n dertig artikelen in dit conferentieverslag. Van collegae die ik sinds toen meestal helemaal niet meer heb gezien. Kathedraal in aanbouw? Ik dacht het niet. Dit boek is veel minder een kathedraal van kennis dan dat boek met dat rode kaft. Het is eerder te vergelijken met een flatgebouw dat binnen de kortste keren weer met de grond gelijk zal worden gemaakt. Ik schat in dat men al voor 1990 is opgehouden naar dit grijze boek te verwijzen.
Ik kijk meer naar rechts, waar zich mijn schaakboeken bevinden. “Staunton Turnier Groningen 1946” door Max Euwe en Hans Kmoch. Uit het Nederlands (“Staunton-Wereldschaaktoernooi”) vertaald. In dit boek staat de partij Botwinnik-Euwe met dat schitterende toreneindspel dat in alle leerboekjes staat. En de partij Euwe-Yanofsky, met dat beroemde ongelijke lopereindspel, werd ook in dit toernooi gespeeld. Verder staat er een lieveling van me in: Smyslov-O’Kelly, waarover ik ooit in het clubblad geschreven heb. Net zo goed als het toernooi een mijlpaal was in de schaakgeschiedenis, is ook het boek een mijlpaal in de schaakliteratuur, een sieraad in de boekenkast van de schaker.
Er staat ergens verscholen een klein boekje van Hans Böhm en Jan Mulder. Het gaat over “de” match van 1985. De beschouwingen, analyses en commentaren zijn van de schaakmeester, de sfeervolle kanttekeningen van Jan Mulder. “Het boek Karpov-Kaparov is een uniek document over de meest opzienbarende schaaktweekamp in de laatste decennia en het is tevens een “must” voor elke schaakliefhebber” ronkt het van de achterflap. Het boek heeft voor mijn gevoel niet hetzelfde niveau als het eerdergenoemde literaire werk en het is pas na enig bladeren dat ik er de vinger achter kan krijgen waarom. De sfeertekeningen van Jan Mulder zijn leuk om te lezen, maar ze horen niet in zo’n boek als dit. Het is te licht, te lollig en het leidt af van waar het nu echt om gaat. Verder denk ik dat een boek over een match om het wereldkampioenschap geschreven zou moeten worden door iemand die qua niveau dichter bij de hoofdrolspelers staat. Niet schaakjournalisten als Böhm moeten hier aan het woord zijn, maar topschakers à la Jan Timman.
Het zou goed kunnen dat het technische commentaar van eerstgenoemde helemaal niet slecht is -hij heeft gebruik gemaakt van veel vertrouwenwekkende bronnen- maar toch heeft het iets raars als een dwerg een strijd tussen giganten verslaat. En mijn broek zakte echt af toen ik las dat de uitdrukking “grote kwaliteit” het verschil tussen twee lichte stukken en een toren aanduidt. Neen, dit boek van de heren Böhm en Mulder is niet het definitieve verslag van die opmerkelijke match uit 1985.
In de boeken (schaak- of anderszins) die de jaren trotseren en die quasi-onverwoestbaar zijn, vangen we een glimp op van Het Grote, Het Mooie, Het Ware. Iets in ons resoneert mee, wanneer we zulke boeken lezen, of misschien zelfs maar doorbladeren. In twee van de bovengenoemde boeken had ik die ervaring inderdaad.
De rest van wat er door ijverige werkmieren geproduceerd wordt, gaat onherroepelijk verloren en komt vanzelf op de vuilnisbelt van de Geschiedenis. Clio, haar Muze, is een wrede maar rechtvaardige rechter. En zo hoort het ook.
