De schaker die in een verloren stelling terechtgekomen is, kan een aantal dingen doen.
Hij kan direct opgeven (“Dit is binnen een zet of veertig wel bekeken”).
Hij kan een schwindle inbouwen (“Óf ik leef weer, óf ik ben direct het haasje”).
Hij kan zich tot het uiterste verzetten (“Wie weet doet ie het nog fout”).
De eerste optie wordt zelden gekozen, de tweede af en toe, de derde optie is standaard.
De schaker hangt intuïtief aan zijn leven op het schaakbord. Ook al beseft hij dat het einde van zijn koning onvermijdelijk is, hij blijft zo lang mogelijk vechten. Soms nog langer.
Iets enigszins vergelijkbaars zie je ook in de echte, niet tot vierenzestig velden beperkte wereld. Mensen hangen aan hun leven. De wil tot leven is waanzinnig sterk. Irrationeel sterk soms. In de Verenigde Staten zitten de dodencellen vol. Het is volstrekt normaal dat een ter dood veroordeelde petitie op petitie naar de gerechtshoven stuurt. Meestal is dit futiel.
De gerechtelijke molens malen echter ook aan de overkant van de plas langzaam en zo kan het voorkomen dat er nu lieden in de dodencel zitten die al twintig jaar geleden veroordeeld zijn en die in feite niets anders doen dan tijdrekken. Ik kan me moeilijk voorstellen dat het leven onder zulke omstandigheden enige echte waarde heeft, maar de “inmates” vinden blijkbaar van wel. Er is mij slechts een geval bekend van iemand in de VS die ter dood werd veroordeeld en vervolgens eiste dat hij ook binnen enkele weken geëxecuteerd zou worden. Hij kreeg zijn zin. Hij was als de schaker van optie één, die het hopeloze van zijn positie inziet en die koos voor “ein Ende ohne Schrecken” in plaats van “ein Schrecken ohne Ende”. Eigenlijk is hij (wat dit betreft) een man naar mijn hart.
De dood is een mysterie. We weten niet wat ons te wachten staat en we hopen vurig dat als het zover is, de transitie niet schrikwekkend zal zijn. Bij de oude Grieken waren Thanatos (Dood) en Somnè (Slaap) broer en zus. Welnu, ik ben drie maal geopereerd, drie maal onder volledige narcose. De manier waarop de overgang van bewustzijn naar (diepe) slaap verliep, was steeds aangenaam. Ik begon meteen te tellen nadat er een goedje in mijn aderen gegoten werd. Je bent wetenschapper of niet. Bij mijn laatste operatie zei ik na zo’n tien seconden licht verwijtend dat de verdoving nog steeds niet werkte, maar ik sprak verschrikkelijk voor mijn beurt en werd een half uurtje later wakker met een niersteen minder, maar wel met een katheter in mijn edele dienaar.
Ik moet een ding toegeven, ik zie er niet reikhalzend naar uit, om als mijn tijd gekomen is, met een slang in mijn jongeheer wakker te worden aan gene zijde van het graf. Sterker nog, ik verlang er helemaal niet naar om wakker te worden en verwacht dat ook niet. En puur mijn leven rekken, mij vastklampen aan het leven wanneer het leven geen leven meer is, dat ben ik niet van plan.
Maar als ik in verloren positie achter het schaakbord zit, dan gedraag ik mij volstrekt irrationeel. Ik weer mij namelijk als een leeuw. Ik probeer alles om het leven van mijn monarch zolang mogelijk te rekken. Elke zet is als een petitie naar het gerechtshof. In principe kansloos – ik weet het- maar het wint weer tijd. Heel irrationeel dus. Maar het betreft dan ook slechts mijn koning, niet mijzelf.
