Ruurd Kunnen heeft het in een recente kolom nog weer eens onder onze aandacht gebracht: dankzij de partijennotatie kunnen wij genieten van het fraais dat zich in het verleden op de vierenzestig velden heeft afgespeeld. Hoe de eerste officiële voetbalwedstrijd tussen Engeland en Schotland in technische zin verlopen is weten we niet, maar wat er in de schaaktoernooien van diezelfde tijd te genieten viel, weten we wel. Als gevolg hiervan is het mogelijk een ideeëngeschiedenis te “componeren” van het schaakspel. Ook als een Steinitz, een Tarrasch en een Lasker geen pen op papier hadden gezet, dan nog zouden we zo’n historie wel hebben kunnen construeren. De partijennotaties vertellen woordloos hun verhaal.
Als gevolg van deze mogelijkheid zijn er boeken op de markt die op twee manieren over de schaakgeschiedenis gaan. Het magistrale werk van Murray, al eerder in deze reeks genoemd, is een boek dat over de formele kant gaat. Wanneer kwam het spel naar Europa en langs welke wegen? Op welk formaat borden werd er gespeeld? Hoe noemde men de stukken en hoe waren hun “bewegingswetten”? Wanneer zijn er veranderingen in opgetreden? Anderzijds zijn er boeken die voornamelijk de ideeëngeschiedenis beschrijven. Euwes “Veldheerschap op de vierenzestig velden” is zo’n boek en ook het boek “Geschichte des Schachs” van Jacob Silbermann en Wolfgang Unzicker valt in deze categorie. Ja, zelfs het proefschrift van Ruurd, maar dat schrijf ik hier vooral op om Ruurd een rooie kop te laten krijgen.
Ik wil naar dat boek van Silbermann en Unzicker. Het is hier te lande lang niet zo bekend als het daarvoor genoemde “Veldheerschap&.” Dat is jammer, want ook het boek van de beide Duitsers is het lezen ten volle waard. En het Duits is naar mijn volstrekt bevooroordeelde mening ook nog eens eenvoudig. (Er zal trouwens niet zo gauw een nieuwe, aangevulde druk verschijnen, want terwijl ik een eerste versie van deze column schreef, is Unzicker in Portugal aan een hartstilstand overleden…) Heel slim hebben de heren indertijd het voorwoord laten schrijven door Euwe, toen (1975) de voorzitter van de Wereldschaakbond. Immers, wat is er beter voor de promotie van een boek dan het voorwoord te laten schrijven door iemand die bekend is bij de bewoners van de Noordpool, de Vuurlanders, de Hopi-indianen en bij de flamingo’s aan het Tanganjika-Meer?
Het voorwoord van Euwe liegt er niet om. In drie bladzijden behandelt het de opmars van het schaken na 1972 (Spassky-Fischer), de rol van de schaakgeschiedenis als bron van schaakkennis, de maatschappelijke waarde van het schaken, de opvoedkundige waarde van het schaken, schaken als leervak op school en ….de (on)mogelijkheid om binnen enkele decennia een computerprogramma te schrijven dat schaken kan op meesterniveau. Bijna de helft van het voorwoord gaat nu juist over dit laatste. Laat ik U even meenemen door dit vrij heftige gedeelte.
“…Sommigen denken dat het in afzienbare tijd -10,20, of 50 jaar- mogelijk zal zijn een computerprogramma te maken dat kan schaken op meesterniveau. Dat zou zo ongeveer de dood van het schaakspel betekenen…” Dit is interessant. Velen van U wisten vermoedelijk al dat Euwe nooit geloof hechtte aan de mogelijkheid van een elektronische schaakmeester, maar nu blijkt dat hij die mogelijkheid beschouwt als een praktische doodssteek voor het spel. Zijn pogingen om aannemelijk te maken dat zulks niet kan krijgen hierdoor meteen een bepaalde lading. Laten we verder lezen.
” Het is opvallend dat een ex-wereldkampioen, Dr. Botwinnik tot de onheilsprofeten behoort…”. Duidelijker kan niet. Euwe zou er de pest over in hebben als het zou kunnen. Anders kan ik dit niet interpreteren.
“…Ikzelf geloof daar niet in. Ik heb vele jaren, deels in teamverband, aan dit probleem gewerkt. Ik heb kunnen vaststellen dat de prestatie van de computer weliswaar voortdurend op hoger niveau komt, maar dat na een periode van opvallende resultaten een duidelijke vertraging optreedt. De moeilijkheidsgraden die velen in technische problemen als een rekenkundige reeks voorstellen (1,2,3,4 &), zijn bij heuristische computerproblemen met een meetkundige reeks te vergelijken (1,2,4,8 &) of zelfs met een faculteitenreeks (1,2,6,24 &).”
Vervolgens laat Euwe zien dat je er met rekenen alleen niet komt. Hij stelt voor om heuristische methoden te gebruiken, regels die de computer moet gebruiken. Maar dan zijn er de uitzonderingen op de algemene regels.
Euwe vervolgt dan: “…Ook die zou men misschien kunnen programmeren. De schaakmeester weet intuïtief wanneer de regel moet worden toegepast, wanneer de uitzondering plaatsheeft. Het gaat bij hem nog verder; hij weet ook wanneer hij de uitzondering (uitzondering op de uitzondering) niet hoeft te beschouwen. Zover kan men bij het programmeren niet gaan en als het al ging, dan zijn er nog weer verdere onzekerheden…”. Euwe stelt het dus zo voor dat men de computer vol dient te stoppen met alle mogelijke regels voor alle mogelijke stellingen en dat ziet hij als een kansloze zaak.
“…De computer al deze uitzonderingen op uitzonderingen enz. bij te brengen zou een programma vereisen dat ook door de snelste computers niet zou kunnen worden uitgevoerd in afzien bare tijd. Geen computerdood van het schaken derhalve!”
De eenvoudige constatering dat programmatuur van professionele sterkte nu, dertig jaar nadat dit voorwoord werd geschreven, weldegelijk bestaat laat zien dat de grandmaitre ongelijk heeft gehad. Zelfs met de ongetwijfeld onvolmaakte algoritmes van nu kun je kennelijk al een elektronisch gigantje construeren. Verder, de eenvoudige constatering dat er in alle hoeken en gaten van de aardbol volop wordt geschaakt, laat zien dat ook de angst voor de dood van het schaken wellicht voorbarig is geweest.
Het is natuurlijk opvallend dat een meervoudig expert (schaken en IT) als Euwe dit zo verkeerd heeft getaxeerd. Maar misschien geeft ditzelfde voorwoord daarvoor ook de verklaring. Wellicht heeft de angst dat een domme machine ooit zou kunnen wat hij kon, hem extra gevoelig gemaakt voor het zien van beren op de weg. Wij zijn kwetsbare wezens. Soms zien wij niet wat we niet willen zien.
