Open brief aan Harrie B. door Manuel Nepveu
Beste Harrie, fijne knul,
Een aantal weken geleden waren wij tegen elkaar ingedeeld in het kader van de finalegroepen. Ik weet niet wat jouw doelstelling was, maar ik wilde per se winnen (Hoe zou dat nou toch komen?!). Als dat de doelstelling is, dan is het altijd handig en verstandig om je voor te bereiden. Tegen jou is dat niet moeilijk.
Ik had Wit en wilde weer eens een d4tje op het bord brengen. Na 2 c4 zou het Albins tegengambiet worden en na 2 Pf3 zou Tjigorin zijn opwachting maken. Heel voorspelbaar. Daar is trouwens helemaal niets mis mee. Het betekent alleen dat ik als tegenstander enigszins in het zadel wordt geholpen. Prima.
Nadat ik mijn elektronische hulpmiddelen geraadpleegd had, bleek dat die Tjigorin een zekere mate van respectabiliteit had, te oordelen naar de scores. Maar bij Albin lag dat heel anders. Het gambiet van deze speler met het uiterlijk van een paardenkoopman (van Lennep, 1895) ontbeert iedere respectabiliteit. Lachsalvo’s weerklonken uit mijn studeerkamertje, elke keer als ik naar de scores ging kijken van allerlei subvarianten. Toen ik tegenover je zat deed ik alsof ik nadacht, maar de eerste vijftien zetten had ik à tempo op het bord kunnen brengen. Mijn voorbeeld waren twee partijen die elk binnen zo’n slordige twintig zetten afgelopen waren. In het voordeel van Wit uiteraard. Jij kreeg argwaan toen ik een niet geheel triviale zet te snel op het bord bracht en week van de voorbeelden af. Maar ik had toen toch rond zet 15 in een zet kunnen winnen, zoals jij zelf na de partij onmiddellijk opmerkte. Het enige, niet helemaal uit de lucht gegrepen, excuus dat ik heb voor mijn nalatigheid is, dat ik er dinsdags een werkdag op heb zitten en een heen-en-weertje naar Utrecht. Enfin, ik won de partij uiteindelijk. Maar wees niet bevreesd, de partij heeft zijn weg naar het riool gevonden.
Wat mij opviel was het tijdsgebruik. Jij zat na zo’n vijftien zetten al tegen een tijdsachterstand van, naar ik meen, een half uur aan te kijken en uiteindelijk zou die achterstand nog verder oplopen tot iets van drie kwartier. Maar jij bent de kenner, Harrie, ik de speler die met het bestrijden van des paardenkoopmans gambiet een uiterst minimale ervaring heeft. Of zien we hier het verschil aan de dag treden tussen de knsb-speler en de onderbonder? Het is maar een suggestie natuurlijk…
Misschien moet je eens omzien naar een substituut voor het gewraakte gambiet. Maar dat wil je vermoedelijk niet. Na de partij vertelde je mij dat je zo’n 70 procent score hebt met Albin. Ik geloof je direct, maar ik vermoed dat er onder je tegenstanders nogal wat spelers zitten die zwakker zijn dan jij en heel, heel weinig knsb-spelers.
Nu zal ik je een geheimpje verklappen. Ik heb dat altijd voor me gehouden om niet de risee van de club te worden, maar ook ik heb heel, heel vroeger Albin wel eens te hulp geroepen. Toen ik bij het vermaarde Groningen speelde, was er een periode waarin iedere tandeloze knakker die op het punt stond de pijp aan Maarten te geven achterelkaar van me won. Ja, dat waren barre tijden. Er ging teveel energie in mijn promotieonderzoek zitten en te weinig in het spel der spelen. In arren moede speelde ik Albin. De letterlijke reactie van een van mijn knsb-kornuiten was: “Ben je zo wanhopig, Neppie, dat je dit gaat spelen?”. Ik bedoel maar.
Slechts eenmaal heb ik het gambiet gespeeld bij mijn volle verstand. Mijn klasgenoot Eric en ik gingen naar de reünie van onze school. Het was in december 1980. Winter. Ik vergaapte me aan een mokkel dat abusievelijk dacht dat het hoogzomer was en dat zich had gekleed alsof zij klandizie zocht. Ik werd hitsig en agressief. Eric en ik hadden al eerder afgesproken dat we die avond bij hem thuis een partij zouden spelen. Kort daarvoor had Kortsjnoj met Wit een bepaalde variant tegen de Albin gekozen en Eric wilde die wel tegen mij proberen en niet zonder reden. Hij had zich voorbereid, ik niet. Ik denk dat je de partij
wel wilt zien en dat plezier doe ik je. Didactisch gezien is het helemaal verkeerd, want de partij liep niet goed af voor Wit. Maar goed, ik wil niet kinderachtig wezen.
E.M.Braun – MN, 20 december 1980, Hilversum
1 d4, d5 2 c4, e5 3 de5x, d4 4 Pf3, Pc6 5 g3, Lg4 6 Lg2, Dd7 7 Db3, Voilà, de zet van Kortsjnoi. In de partij Kortsjnoj-Veinger, Beersheba 1978 werd de zwartspeler in 25 zetten van het bord geknald. Ik moet aannemen dat jij als Albinkenner deze partij te uit en ter na bestudeerd hebt. 7…, 0-0-0 8 0-0, h5 9 Td1, Lc5 10 Lg5, f6 11 ef6x, gf6x 12 Lh4, De7 13 Kf1, Ph6 14 Pbd2, The8 15 Te1, Lb4 16 Tad1, Pf5 17 a3, Lc5 18 Db5? Hier had Fritzje7 een grote voorkeur voor Dd3 met gelijkspel. 18…, Ph4x 19 Ph4x, a6 20 Db3, Le2x+ 21 Kg1, Dd7 Eenvoudiger is happen op d1. 22 Ta1 En hier was Te2x!? behoorlijk beter geweest. 22…, d3 23 Pe4, Te4x! 24 Le4x, Dd4 25 Lf5+, Kb8 26 Te2x, de2x en twee zetten later: 0-1.
Leuk partijtje, niet? Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het verschil in speelsterkte tussen mijn goede vriend Eric en mij niet geheel onbeduidend was. Inderdaad, als je een tegenstander hebt die echt zwakker is kun je hem met Albin zeer gewelddadig neersabelen. Leuk voor de omstanders en je eigen ego. Maar tegen knsb-spelers, met wie het kwaad kersen eten is, zoals ik die beminlijke lange op onze club steeds voorhoud, is Albins tegengambiet geen optimale keuze. Ik maak een afspraak met je, beste Harrie. Ik speel voortaan alleen nog maar d4 tegen je. Weliswaar spelen wij niet zo vaak tegen elkaar, vanwege het grote krachtsverschil, maar ik ben benieuwd hoe lang het gaat duren voor je er dood- en doodziek van wordt!
Met een hartelijke groet,
Manuel
