Opa en het Boerenkamp

Opa en het Boerenkamp  door Manuel Nepveu

Het haardvuur knapperde gezellig. Opa zat in zijn versleten lederen fauteuil met een mooie sigaar en blies krinkeltjes in de lucht. Het jonge grut om hem heen was erg lawaaierig. Geen wonder, de oudste was misschien zeven jaar en de jongste was de luiers maar net ontgroeid. Het stoorde Opa een weinig en hij begreep dat hij zijn achterkleinkinderen maar beter nuttig bezig kon houden. “Luistert, hondsvotten, luistert!”. Het grut was wel gewend om zo aangesproken te worden. “Opa, ga jij ons een verhaaltje vertellen?” vroeg de kleine Caïssa met haar hondstrouwe ogen. “En niet zomaar een verhaaltje. Neen, dit is echt gebeurd. Luistert.” Opa nam een trek van zijn sigaar, blies een rookwolk de lucht in, als werd het kanon van een slagschip afgevuurd en begon.

“Heel lang geleden was er een dorp op de West-Nederlandse klei dat bestond uit een plein. Niets anders dan een plein, nou ja, met wat erop en eromheen. Midden op het plein stond een groot gebouw. Groot Gebouw. Daar woonde de Meester. Hoe heette hij ook al weer? Kannik of … ja, ja toch. Hij heette Kannik. Hij was de meest wijze man uit het dorp en als je een discussie met hem aanging op het schaakbord dan verloor je die. Ja geheid. Hij had een hoge hoed. Daar toverde hij argumenten uit. Heel vaak, heel goede argumenten. Of argumenten waar je zo even niet van terug had.

Aan de ene kant van het plein lag “kamp 1200-2000”, in de wandeling ook het Boerenkamp genoemd. Het was er reuzengezellig. Elke avond zigeunermuziek. Men dronk er veel en luidruchtig, speelde er bij voorkeur doorgeefschaak, braste en dobbelde.

Er werd ook wel normaal geschaakt. Dat was en bleef tenslotte de dagelijkse arbeid in dit kamp. Maar hier had helemaal niemand een toverhoed zoals de Meester. De schaakdiscussies gingen dan ook gepaard met argumenten waar een branderig luchtje aan zat.

Aan de andere kant van het plein lag “kamp 2000-2300”, in de wandeling ook het Herenkamp genoemd. Het was er lang niet zo gezellig als in het Boerenkamp. Men dronk er meestal niet. Meestal, er was een vermaledijde uitzondering, ene Kibbeling, de regel bevestigend. Men had hier ook hoge hoeden, maar ja niet zo hoog en niet zo toverachtig als die van de Meester. Men braste en dobbelde niet, men schaakte met inzet van alle krachten. Men was heel serieus in dit opzicht. Opa woonde ooit in dit dorp. Jullie kunnen zeker wel raden in welk kamp hij woonde, niet?”

Opa wachtte en nam een trek van zijn sigaar. “Bij de Boeren” plaagde Caïssa, want het schrandere kind begreep dat er plaats moest zijn voor een grapje. Opa glimlachte minzaam en vervolgde zijn verhaal.

“Opa woonde in het Herenkamp. Jullie weten toch dat Opa altijd heel serieus is? Dat hij meer dan eens tweede werd in de dorpscompetitie, maar helaas nooit eerste? Dat hij ooit na harde strijd met bijvoorbeeld onderkruipertje Yrrah en de veel sterkere BijdePinken Open Dorpskampioen werd? Goed, dat is dan dat.”

Opa nam de tijd. Hij tikte een pijpje as van zijn sigaar en vervolgde zijn verhaal. “Nu leefden de dorpsbewoners in grote harmonie met elkaar. Als de bewoners van het Boerenkamp iemand van het Herenkamp aan het schaakbord in het Grote Gebouw ontmoetten, namen zij hun (lage) hoed af. Soms vroegen zij naar een variant uit de hoge Herenhoed en als die dan werd verstrekt, was hun dankbaarheid immens. Kortom, iedereen had het in het dorp reuze naar zijn zin. Tot op een kwade, kwade dag. Onderkruipertje Yrrah begon plotseling op te spelen. De naam doet het al vermoeden, zeg maar. De kleine Yrrah, dat ongeleide projectiel, vroeg zich af waarom Opa in het Herenkamp mocht wonen. Hij was er niet van overtuigd dat Opa daar hoorde en maakte dat via het grote spinnenweb naast het Grote Gebouw bekend. Was het niet zo dat de resultaten van Opa tegenvielen? Had hij niet onlangs nog van twee Boeren verloren? En Opa wilde ook nooit snelschaken, alleen met de uit een gerenommeerd geslacht stammende boer Gouke. Onrecht! Onrecht! Zo piepte Yrrah.”

Hier zweeg Opa even. De domheid, de kortzichtigheid. Hij zuchtte en nam een trek van zijn sigaar. “En toen, Opa?” wilde de vijfjarige Filidor weten.

“Tja. Dit moest tot op de bodem worden uitgezocht. Zo ging dat in het dorp. Een commissie werd benoemd, bestaande uit Heren, Boeren en de Meester. En die benoemde weer enkele subcommissies voor het formuleren van een vraagstelling en zo… Nou ja, het was een heel gedoe. Na veel vijven en zessen werd er vastgesteld dat er maar zes actieve Heren waren die boven alle kritiek verheven waren: Balers, Jurkvrouw, Montani, Plientje – en die was om het nog wat ingewikkelder te maken eigenlijk geen Heer, maar een Dame- , Rentmeester en Waaltonijn.” Caïssa zag dat Opa’s ogen vochtig werden. “Zullen we een spelletje gaan doen, Opa?” Opa vermande zich. “Neen, lieverd, ik ben nog niet klaar. Luistert, schobbejakken! Enfin, degenen die in Kamp 2000-2300 woonden, maar niet onomstreden waren, werden gesommeerd hun boeltje te pakken en naar het andere kamp te vertrekken. Opa was daarbij.” Opa’s bovenlip trilde met een frequentie van ettelijke Hertsjes. Maar na een stevige haal aan zijn onafscheidelijke metgezel, werden de lichtjes in Opa’s ogen helder. Een goed waarnemer zou zeggen:

ronduit vals.

“Toen de gewezen bewoners van het Herenkamp een tijdje bij de Boeren woonden en zich hadden ingeleefd in hun bizarre gebruiken, mochten zij mee naar een belangrijke wedstrijd. Een aantal Boeren moest er in deze ene wedstrijd voor zorgen in de Boeren-Voorwaartsklasse gehandhaafd te blijven. De gewezen Heren werden getrakteerd op een heus degradatieduel. Een Boer die in thee deed, stelde zich uitdrukkelijk kandidaat om ooit, ooit eens naar de andere kant van het dorpsplein te mogen. Applaus was er voor hem. Opa volgde ondertussen de verrichtingen van de schreeuwlelijk Yrrah met meer dan gewone belangstelling. Na een en twintig zetten had zijn tegenstander een gekraakte pionnenstelling. O nee, het was natuurlijk nog niet gedaan, maar Yrrah had zo zijn kansen en elk halfje meer deed er echt toe in dit duel. Opa was even weg, kwam terug en zag dat er aan het bord van Yrrah heel moedig tot remise was besloten. De schreeuwlelijk had niet eens geprobeerd van de voordelen van zijn positie gebruik te maken. Wat heet? Hij wist niet of hij echt voordeel bezat en al helemaal niet hoe hij daar gebruik van kon maken. Eindspel hè? Daar begin je in het Boerenkamp niet aan.

Wat er op de overige borden gebeurde zorgde ervoor dat het Herenbloed soms stokstijf in de aderen bleef staan. Het was, kortom, een mooie avond. Na afloop kwam het Boerenteam precies een half punt tekort om degradatie te ontlopen. Dat halve punt waar Yrrah niet eens voor wilde vechten!”

Opa stopte even en leek op zoek naar adem. En deze onderdeur was er de oorzaak van dat hij en een aantal anderen uit hun statige behuizing hadden moeten vertrekken!

“En toen, Opa?” vroeg Garrie van drie, die inmiddels een knalrood hoofd had gekregen. Hij zou het toch niet in zijn broek gedaan hebben? “Eh, ja. Nou, er is toen een protest ingediend door al diegenen die hadden moeten verhuizen. Want, hier hoorde men niet bij. Natuurlijk niet. Terug naar het Herenkamp graag. Er kwam overleg en men moest toch wel erkennen dat het unfair was om de voormalige Heren ingelijfd te houden bij de gelukszoekers van kamp 1200-2000. En de terugkomst werd gevierd bij een groot kampvuur. En zoals iedereen uit de verhalen van Asterix en Obelix weet… hing er daarbij een persoon gekneveld en met een prop in zijn bakkes in een boom. Yrrah! Yrrah!”


 

Scroll naar boven