Sherlock Holmes – het vervolg[1]

Sherlock Holmes – het vervolg       [1] door Rob de Vries

 

Een ruim aantal clubbladen geleden heb ik een aantal artikelen gewijd aan het fenomeen "retrograde problemen". Hierbij gaat het om schaakproblemen die kunnen worden opgelost door rekening te houden met wat er eerder in de partij gebeurd is. Voorbeeld: in een bepaalde probleemstelling is het mogelijk om aan te tonen dat bijvoorbeeld zwart op enig moment met zijn koning gezet moet hebben, zodat hij nu niet meer mag rokeren (al staat zijn koning inmiddels weer op de beginpositie), waardoor een bepaalde witte zet de winnende is (en dat niet zou zijn als zwart nog wel mocht rokeren).

 

De problemen die ik in die artikelen besprak (of als prijsvraag opgaf) waren afkomstig uit twee boeken van de Amerikaanse hoogleraar/filosoof/logicus/puzzelmeester Raymond Smullyan, namelijk (1) "The chess mysteries of Sherlock Holmes" en (2) "The chess mysteries of the Arabian knights". Hoewel die boeken vele tientallen problemen bevatten heb ik er slechts enkele van "behandeld", om de eenvoudige reden dat verreweg de meeste te ingewikkeld zijn om in het kort uit te leggen, en dus te veel ruimte in ons clubblad zouden innemen (vooropgesteld dat ik ze zelf geheel zou begrijpen en correct uit het Engels zou kunnen vertalen – soms is dat nog verrassend lastig). Ik heb me toen dus beperkt tot die problemen die niet tè ingewikkeld waren en bovendien (volgens mij) een leuk thema hadden, en die dus in een voor de lezers aantrekkelijk stuk tekst te gieten waren. Toen de problemen die hieraan voldeden "op" waren ben ik met de reeks gestopt.

 

Wie schetst mijn vreugde toen ik onlangs bij van Stockum (klik eens op hun banner op onze website!) het boek "Outrageous chess problems" van Burt Hochberg [New York 2005] ontdekte. Niet alleen bevat dit boek een bloemlezing van onorthodoxe schaakproblemen (verzameld uit allerlei bronnen), maar vooral bevat het een hoofdstuk "Remembrance of things past", dat een aantal mij nog onbekende retrograde-problemen bevat. Wat mij hierbij meteen opviel was ten eerste dat deze problemen niet van één auteur/componist afkomstig zijn, maar (net als de rest van het boek) verzameld zijn uit het werk van een groot aantal verschillende auteurs (onder wie een aantal beroemdheden op dit gebied: Sam Loyd, Karl Fabel, en T.R. Dawson), en ten tweede dat de meeste problemen NIET erg ingewikkeld zijn, er leuk uitzien, en kort maar krachtig kunnen worden uitgelegd. Kortom: uitermate geschikt voor onze Promoot! En aldus is dit het eerste deel van een nieuwe reeks. Ik weet nog niet uit hoeveel afleveringen deze serie gaat bestaan, maar ik denk een stuk of drie. Veel lees- en puzzelplezier!

 

Opmerking vooraf: In dit soort problemen wordt het volgende aangenomen:

 

1) Rokeren is toegestaan, tenzij uit de stelling kan worden afgeleid dat het niet is toegestaan.

 

2) En passant slaan is niet toegestaan, tenzij uit de stelling kan worden afgeleid dat het wel is toegestaan.

 

3) Wit is aan zet, tenzij gegeven is dat zwart aan zet is, of uit de stelling kan worden afgeleid dat zwart aan zet moet zijn.

 

Bij de problemen 1 t/m 5 geef ik de oplossing, maar wel 90° gedraaid, zodat U niet meteen door de tekst wordt afgeleid. Probleem 6 heeft de vorm van een prijsvraag(je); U kunt een pilsje (of equivalent) verdienen!

Probleem 1- om er (weer?) in te komen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H. Kamstra – Tijdschrift NSB, 1929

 

à wit geeft mat in 2

1. Ta1, en 2. Ta8 #.

 

Niet: 1. Tff7, wegens    1. … hxg6.

 

2. … O-O mag niet, want zwart’s laatste zet moet met de koning of met de toren zijn geweest.

 

Probleem 2 – hetzelfde, maar dan anders

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H. Kamstra – Tijdschrift NSB, 1929

 

à wit geeft mat in 2

1. Tff7, en 2. Tb8 #.

 

Nu is 1. Ta1 niet goed, omdat zwart nu wel mag rokeren (want zijn laatste zet kan met de pion zijn geweest).

 

Probleem 3 – simpel (of niet)?

 

J. Perkins – Chess, 1950

 

à wit geeft mat in 1

Zwart’s laatste zet kan niet geweest zijn met de koning, de loper of een paard. Hij moet dus met zijn pion hebben gezet, dus d7-d5 (d6-d5 kan niet, dan stond wit schaak). Dus: 1. cxd6 e.p. #


Probleem 4 – herinnert u zich deze nog?

 

Dit probleem siert de cover van Smullyan’s eerste boek, en kwam ook voor in mijn vorige artikelenreeks. Het blijft fraai, met slechts 4 stukken op het bord!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Raymond Smullyan – 1980

 

à wit is aan zet – wat waren de laatste zetten?

 

De zwarte koning moet van a7 zijn gekomen, maar stond daar dan schaak; dat kan alleen aftrekschaak zijn geweest, maar met welk wit stuk? Enige mogelijkheid is een paard: Pb6-a8+ (of Pb6xa8+), gevolgd door Ka7xa8.

 

Probleem 5 – nog zo’n miniatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Adrian Storisteanu – Rex Multiplex, 1983 (1e prijs)

 

à mat in 2

 

Wit is aan zet, tenzij bewezen kan worden dat zwart aan zet is. Had zwart een laatste zet? Ja: Ka7-a8, nadat wit b7-b8L+ heeft gespeeld!

Dus: 1. Ta7+ Kxb8, 2. Pc6 #.

 

Probleem 6 – PRIJSVRAAG(JE)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scroll naar boven