Opleuken

“Opleuken” door Manuel Nepveu

Op j.l. zaterdag 30 september werd het Nationaal Kampioenschap Bedrijvenschaak gehouden. Voor mij was het voor het eerst sinds negen jaar dat ik weer meedeed. Het CBS was de gastheer van de schaakhongerigen en het moet gezegd, de gastheer kweet zich voortreffelijk van zijn taak. Er werd in zeven ronden rapid over het kampioenschap beslist, er was een lezing van Hans Ree en na afloop werden er -naast de onvermijdelijke prijsuitreiking aan het bedrijf Sogeti met twee grootmeesters in hun gelederen- vriendelijke woorden gesproken door het opperhoofd van het CBS en door Esther de Kleuver, lid van het KNSB-bestuur.

Tijdens haar verhaal vertelde Esther dat de KNSB probeerde om bedrijven op de een of andere manier aan het schaken te binden, maar ook dat men initiatieven ontwikkelde om het schaken te combineren met andere vormen van sportbeoefening. Ongedwongen stond iedereen te luisteren en ik merkte dat er hier en daar werd gegniffeld toen dit laatste voorstel naar voren werd gebracht. Schaken wil men aan de man/ vrouw brengen door het te combineren met iets anders.
Hoe goed bedoeld ook, het voorstel heeft iets intens zieligs. Schaken proberen te “verkopen” door het te combineren met volleybal of zoiets. Volleyballen willen vast wel veel mensen, lekker actief en zo. Misschien kunnen we dan ook nog plaats inruimen voor de denksport schaken. Het schaken wordt op die wijze onder de aandacht gebracht van mensen die eigenlijk wat anders willen. Wie weet krijgen we zo misschien wel volleyballers in onze gelederen.
De insteek is namelijk niet dat men schakers (ook) wil laten volleyballen, maar dat men “fysieke sporters” wil interesseren voor het schaken. Het lijkt mij een behoorlijk kansloze missie. Heel veel Nederlanders leren op vrij jonge leeftijd de schaakregels; enkele miljoenen kennen die regels dan ook. Zij zijn stellig mans/ vrouws genoeg om de weg naar een schaakclub te vinden, maar heel, heel veel mensen gaan die weg niet. Is het zo dat hun ogen eindelijk opengaan als ze dertig of veertig of vijftig zijn? Natuurlijk niet. Vrij snel nadat men de regels heeft geleerd ziet men in dat dit een leuk spelletje is -de verkleiningsvorm is uiteraard niet denigrerend bedoeld – of dat het hoogstens aantrekkelijk is op die spreekwoordelijke, verdomd regenachtige zondagmiddag. Mijn stelling is dat de keuze al vroeg wordt gemaakt: ja, dit wil ik doen / nee, dit vind ik niks. De puber met of zonder puistjes weet allang hoe die keuze uitvalt. Ik voorspel dan ook dat dit initiatief geen zoden aan de dijk zal zetten als het gaat om ledenwerving voor de schaakbond.
Mensen die zich als schaker willen ontwikkelen zijn een apart slag. Ze zijn puzzelaars, wroetende mollen, gegrepen door abstracte structuren. Ze zien er niet tegenop om in hun vrije tijd toch vooral weer met de grijze cellen bezig te zijn. Zonder laatdunkend of geringschattend te willen doen, moeten we vaststellen dat zij een kleine minderheid zijn. Hun gedragscodes zijn ook totaal anders dan die van andere sporters. Stilte in de speelzaal is voor hen niet iets afstotelijks, het rondlopen met spandoeken eerder iets belachelijks. De denksportcultuur is echt anders dan die van de voet/hand/volley/basketballer. “Anders” is het steekwoord.

Je kunt proberen het schaken te koppelen aan volleybal of boksen, je kunt proberen een schaakpartij te verluchtigen door de spelers verplicht te laten strippen als er iets geslagen wordt, je kunt proberen fysieke activiteit te suggereren door het speltempo waanzinnig op te schroeven. Al deze probeersels tasten het wezen van het spel aan en de anderen, de “fysieke sporters”, doorzien dit onmiddellijk en lachen er alleen maar om. Die zijn ook niet gek.
Ik stel dan ook dat wij schakers ons niet moeten laten verleiden om het spel op te leuken.
Wie het spel niet kan waarderen zoals het al eeuwen gespeeld wordt, hij ga iets anders doen!

Scroll naar boven