Een man en zijn valmachine door Manuel Nepveu
In het jaar 1784 verscheen bij de Cambridge University Press A Treatise on the Rectilinear Motion and Rotation of Bodies. Het was een leerboek over de Newtonse mechanica en in het boek beschreef de auteur een apparaat waarmee de uniform versnelde beweging onder invloed van de zwaartekracht aangetoond kon worden. Nu waren de wetten van Newton in die tijd boven elke twijfel verheven -in de eerste plaats door de successen van de hemelmechanica- en het apparaat had dus vooral didactische waarde. Al eerder had de auteur deze zogenaamde valmachine ontworpen en hij had hem ook laten bouwen door een instrumentmaker in Londen.
|
Het principe is eenvoudig. Neem een zogenaamde “gewichtloze” katrol en zorg dat die gefixeerd is in de ruimte (zoals in het plaatje of door ophanging aan een plafond) en vrij draaibaar. Leg om het katrol een “wrijvingsloos” koord en bevestig aan de uiteinden twee massa’s m1 en m2. Als men het geheel aan zichzelf overlaat, krijgen de massa’s een versnelling die wordt gegeven door de formule a = g.(m1 – m2) / (m1 + m2), waarin g de versnelling van de zwaartekracht is. Wanneer u een piano middels een katrol vanuit de zesde verdieping van een Amsterdams grachtenpandje wilt takelen en u beschikt over een aantal moedige verhuizers die samen net iets minder massa hebben dan het muziekinstrument, dan komt uw piano zachtjes op de grond, terwijl de verhuizers keurig, zij het wat zweterig, op de zesde verdieping belanden. Hier bieden zich mogelijkheden voor allerhande lollige alternatieven (vervang de verhuizers door het schoothondje van de buren, of -nog beter- door Marianne Thieme van de Dierenpartij, etc.). |
|
Het zou maar zo kunnen zijn dat u op de middelbare school bij natuurkunde sommetjes heeft moeten maken waarbij deze valmachine een rol speelt. Dat moest dan met spanningen in koorden, wat verschrikkelijk onhandig is, zeker als je met verscheidene katrollen gaat spelen. Op de universiteit komt de valmachine op de proppen om superieure berekeningswijzen aan te tonen die van respectievelijk Lagrange en Hamilton afkomstig zijn.
Maar wie was nu eigenlijk de uitvinder van deze dynamische valmachine? Welnu, deze didacticus was George Atwood (1745-1807), gedurende een tijd verbonden aan de universiteit van Cambridge, een man waarvan u verder natuurlijk niets wilt weten…
Wat moet dit verhaal trouwens in een schaakblad? Heeft de ene redacteur soms zitten slapen, terwijl de andere zich aan vuig hobbyisme overgaf?Wellicht een weinig, beste lezer, maar niet helemaal.
Want terwijl de valmachine in de natuurkundige wereld een (bescheiden) bekendheid geniet, geniet George Atwood een welverdiende plaats in zo menige collectie van schaakpartijen. In een tijd dat schakers hun (en andermans) prestaties nog niet wensten te noteren, deed Atwood dit wel en hij schaakte niet tegen de minsten. Ik laat Murray (A History of Chess, 1913) aan het woord. Op bladzijde 864 begint hij als volgt:
“In 1787 the Chess Club was joined by Rev. George Atwood, F.R.S (B. 1746, D. 1807), a distinguished mathematician,……Atwood was not a strong player, but he made up for this by the industry with which he took down games played at the club from 1787 to 1800. He took part in Philidor’s last blindfold performance, on 20 june, 1795, and it was with him that Philidor played his last game of chess nine days later.”
Vervolgens blijkt dat ook de andere partijen die Atwood had genoteerd, de basis zijn van een boekje dat in 1835 in Londen verschijnt en dat een aantal van de partijen uit de laatste jaren van Philidor bevat. Die partijen geven de historicus Murray aanleiding tot vinnig en redelijk opmerkelijk commentaar:
“Walker’s Selection of Games does not create a very favourable impression of the standard of play in Philidor’s time. It was an age of mediocre players, among whom Philidor stood easily first, but even he made mistakes repeatedly which would have been fatal against players of average skill who were not frightened into incapacity by the reputation of the master. At its best Philidor’s play falls short of that accuracy of conception and richness of combination which characterized the play of De la Bourdonnais and MacDonnell. On the other hand there is plenty of evidence of real capacity for chess, and an untouched reserve of genius which would have resulted in a far higher level of practical skill if he had ever been called upon to show it.”
Murray veroorlooft zich hier wel wat, maar het was inderdaad niet allemaal briljant wat de Fransoos deed op latere leeftijd.
Hoe je het ook bekijkt, de man van de valmachine heeft in zijn vrije uurtjes een bijdrage geleverd aan de studie van de schaakgeschiedenis, domweg door iets te doen wat anderen nalieten: het noteren van schaakpartijen. Bovendien heeft hij Philidor zelf toch ook een aantal malen kunnen verschalken.
De volgende partij geeft misschien te denken over Philidors geestesgesteldheid toen hij de partij speelde, maar laat tevens zien dat Atwood kundig met de houtjes schuiven kon.
George Atwood – Philidor, Londen 1794
Siciliaans
1. e4 c5 2. f4 Pc6 3. Pf3 e6 4. c3 d5 5. e5 f5 6. d4 Ph6 7. h3 Db6 8. b3 Ld7
9. Le3 Pf7 10. Dd2 O-O-O 11. Df2 cxd4 12. Pxd4 Pxd4 13. Lxd4 Dc6 14. Pd2 b6
15. a4 Lc5 16. Lb5 Lxd4 17. Dxd4 Dc5 18. Pf3 Lxb5 19. Dxc5+ bxc5 20. axb5 Kb7
21. Ke2 Ta8 22. Ta6 The8 23. Td1 Pd8 24. Pe1 c4 25. bxc4 dxc4 26. Td7+ Kc8
27. Txg7 Tb8 28. Taxa7 Txb5 29. Tac7+ Kb8 30. Txc4 Tb7 31. Tb4 Txb4 32. cxb4 Pc6
33. Pd3 Te7 34. Txe7 Pxe7 35. Pc5 Pg6 36. Pxe6 Kc8 37. Ke3 Kd7 38. Pd4 Pe7
39. g4 Ke8 40. g5 1-0

