Het stond zo mooi in de reisbeschrijving: “dag 6: met de nachttrein van Howrah naar Varanasi in een 1e klasse slaapcoupé”. Slim gedaan van de organisatie dacht ik nog. Spaart een hotelnacht uit en is veel goedkoper dan vliegen. Visioenen van een heerlijk ontbijt terwijl bij het ochtendgloren het landschap aan ons voorbij glijdt, drongen zich op. Om half zeven ’s avonds (het is dan net donker) zet de bus ons af aan de overkant van de weg voor het station. Tientallen mannen storten zich op ons gezelschap. “Geen reistassen afgeven”, waarschuwt onze reisleidster. Dat betekent flink sjouwen want we blijken ongunstig te staan ten opzichte van de ingang. Inmiddels vertrouwd geraakt met het Indiase verkeer steken we de weg over terwijl de weggebruikers ons voor en achter passeren. De stationshal doet Engels aan en is vol. Zoals Utrecht Centraal als het treinverkeer in de spits stilgelegd is. We moeten onze bagage bij elkaar zetten en er in een cirkeltje omheen gaan staan. Ruim een uur lang trekt het bedelaarsgilde aan ons voorbij. We hebben andere dingen aan ons hoofd en laten ons niet vermurwen. Pas één kwartier voor vertrek maken we uit een omroepbericht op dat de trein klaarstaat en we naar het perron kunnen. Dat blijkt helemaal vol te staan met reizigers. Ook voor ons rijtuig staat het zwart van de mensen. De jongste leden van ons gezelschap proberen door de linies heen te breken en na zo’n vijf minuten lukt dat. Een deur wordt bereikt en in eendrachtige samenwerking komen we binnen. We knipperen met onze ogen. Zitten we wel goed? Het rijtuig is het beste te beschrijven als een slaapbarak op wielen. Het lijkt wel erg vol en dat is ook zo. De touroperator had vier kaartjes (van de achttien) op een verkeerde dag geboekt en dus zaten er andere mensen op die plaatsen. Er zat maar een ding op: binnen ons gezelschap indikken en er het beste van hopen en maken. Vier slaapplaatsen konden ingericht worden; de rest moest zich gaan opmaken voor 14 uur rechtop zitten. Dit zijn van die momenten waarop men nog een knop moet omdraaien. Men zit letterlijk gevangen in een overvol rijtuig; het is benauwd en er is geen daglicht. Bewegen moet in overleg met de buren. Het wordt er ook niet beter van als de zwakste blaas in het gezelschap komt melden dat één van beide toiletten af te raden is. Aldaar heeft iemand overgegeven. Het toilet is van het model : gat in de grond, twee voetafdrukken voor de plaatsbepaling en hurken maar”. Voor de dames een onplezierige boodschap; de misère is compleet. Intussen arriveert de conducteur. Aha, geen geldige kaartjes! Dat gaan we eens aanpakken. De conducteur was de Engelse taal niet machtig (het is echt niet zo dat elke Indiër zich kan uitdrukken in het Engels) en met behulp van een man die zich als tolk opwierp, kreeg onze reisleidster als eerste suggestie mee dat de vier “verstekelingen” op het eerste volgende station uit zouden stappen, aldaar kaartjes zouden kopen en de volgende trein zouden nemen. Daar kon natuurlijk geen sprake van zijn. Resteerde het kopen van nieuwe kaartjes in de trein en het betalen van een fikse boete. De man was onvermurwbaar: billijkheid, overmacht, coulance, klantvriendelijkheid jegens toeristen (ik kon niet nalaten mij er even mee te bemoeien), geen boodschap aan! Het was ook teveel gevraagd: die begrippen spelen nauwelijks een rol in de Indiase samenleving. Om een uur of elf maakten de overige reizigers zich op om te gaan slapen. De lichten en de airconditioning gingen uit en het lange, stille, waken, een beetje dutten en een beetje eten, begon. Na verloop van tijd doet alles zeer, maar keus is er niet. Zitten blijven! De ochtend kwam als een grote opluchting: daglicht, het gevoel van opgesloten te zitten nam iets af. Een kleine wandeling leerde mij dat we ook feitelijk waren opgesloten, doorlopen naar een andere coupé was onmogelijk. Er was dus geen restauratiewagen. Onze handvoorraad moest worden aangesproken. Er reisde ook nog een opmerkelijk figuur mee die in gezelschap was van een commando in vol ornaat, met karabijn in de voorgeschreven positie. Duim op de monding van de loop. Hij bleef de hele nacht op het balkon staan en kwam zo af en toe kijken hoe het met zijn “meerdere” ging. Tijdens een stationnement liepen er ook nog drie stevig bewapende politiemensen door ons rijtuig. Dat droeg ook al niet bij aan ons welbevinden! Staren mag in India en zo ontdekte ik dat een moeder met een slechtziend dochtertje (vader zat op een andere bank) mij langdurig observeerden. Zo’n grote blanke man is interessant. “What’s your name”, vroeg het meisje. “Theo” zei ik. “Oh, what a very nice name”, zei de moeder. Zij vertelden ook hun naam maar dat verstond ik niet. En daarmee was de conversatie klaar en hield het staren op. Met nog vier uur te gaan, stort ik mij op de India Times. Anand siert de sportpagina’s Maar helaas alleen een verslag, geen diagrammen. Wat had ik graag een diagrammetje gehad. In de Sunday times of India, twee dagen later, is het zover. Pravin Thipsay behandelt de gemiste remisewending van Goosens tegen Zaitsev. Die bewaar ik maar tot de vliegreis terug. Toen we vertrokken nam ik bewust geen schaakspel en -tijdschrift mee. We waren voor hele andere dingen naar India gegaan. Foute beslissing! Zulke vakanties bestaan voor een groot deel uit reizen en wachten. Voortaan gaat er altijd een schaakspel en schaakliteratuur mee, zelfs naar Schiermonnikoog, dat staat vast.