In de zomer van 1971 vond er een enigszins bizar experiment plaats. Twee schrijvers, Godfried Bomans en Jan Wolkers, gingen elk in hun eentje een week doorbrengen op het kleine, onbewoonde Rottumerplaat. Er was minimaal contact met het vasteland, de schrijvers waren op zichzelf aangewezen. De robuuste Wolkers kon er tegen, de niet zo robuuste Bomans niet. Er is zelfs ooit verband gelegd tussen dit solitaire verblijf en zijn vroege dood op 22 december van datzelfde jaar.
Stel nu eens dat wij, ieder voor zich, een vergelijkbaar experiment zouden doen. We besluiten een jaar (!) op Rottumerplaat te gaan zitten. Neem aan dat aardse zaken als behuizing, eten, drinken, kleding en een opblaaspop zijn geregeld, zodat we ons daar in het geheel geen zorgen om hoeven te maken. Er mag geen laptop mee, geen mp3-speler, geen mobiele telefoon en ook schaakaccessoires zijn uit den boze. We mogen alleen tien boeken meenemen, tien. De vraag is natuurlijk: welke tien gaan er mee? Het zou niet slim zijn om alleen boeken in een enkel genre mee te nemen. Tien boeken van Reve of tien Bommeltjes, dat zou stellig geen verstandige keuze zijn. Ultra-dunne boekjes lezen is een mogelijke strategie voor het eindexamen, maar nu beslist niet. De boeken die je meeneemt moeten brandstof bieden voor je hersenen, genoeg om verveling en krankzinnigheid tegen te gaan- dat laatste voor zover mogelijk. Met dit alles in het achterhoofd kom ik tot mijn persoonlijke top-tien.
Ik ben atheïst, maar ik zou de Bijbel wel meenemen. Er staan prachtige, meeslepend geschreven verhalen in. Het scheppingsverhaal van Genesis met zijn cadans (“het was avond geweest en het was morgen geweest, de … dag”) is wat mij betreft een literair hoogstandje. Juist om deze reden wil ik alleen een vroege vertaling meenemen, van voor 1900. Wat ik van de allerlaatste Nederlandse vertaling heb gezien, vind ik in literair opzicht volmaakt hopeloos.
Wat mag er nog meer mee: Van den Vos Reinaerde. Het is handig om een geannoteerde versie in de koffer te stoppen, want het is en blijft Middelnederlands. Van ver voor mijn geboorte, zal ik maar zeggen. Ik denk dat ik verder de “Nederlandse Historiën” van Pieter Cornelisz. Hooft zou meenemen. Ook weer geschreven in prachtige taal. Maar je moet er met je hoofd bij blijven en als je een jaar lang in je uppie zit, kan dat geen kwaad.
In 1996 verscheen er een dik proefschrift van Ronald P. de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375 Het viel mij op dat de schrijver op originele manier de grootte van een leger te velde probeerde te achterhalen. En er staat nog veel meer moois in. Leuk voor een “Hollander”.
En dan kom ik nu bij mijn eerste schaakboek, De Koning, merk Donner. En dan pak ik Harold J.R. Murray’s A History of Chess ook maar meteen in. Hans Ree schreef in een column dat hij dit boek zeker zou meenemen op zijn onbewoonde eiland. Ik heb er toch wel even over na moeten denken. Er staat namelijk veel in waar ik op dit moment geen geduld voor kan opbrengen. Maar eenmaal op een onbewoond eiland ligt dat misschien anders, daar gok ik op.
Op school haalde ik, ondanks mijn achternaam, zesjes en zeventjes voor Frans. Toch kies ik voor een Frans boek, Essai philosophique sur les probabilités van Grandmaître Pierre-Simon Laplace. Tweehonderd jaar na dato is dit boek nog altijd fris. Het Frans is niet moeilijk en qua inhoud is het absoluut “buitencategorie”. Het eerste hoofdstuk, met dat ene ontroerende citaat, is al voldoende om het mee te willen nemen. Hier dat boek! (Zie mijn column van 4/10/03.)
Nu we toch bij Franse auteurs zijn, Candide van de achttiende-eeuwse gifkikker Voltaire is mijn volgende keus. Maar dit boek neem ik alleen mee in Nederlandse vertaling. Ik weet zeker dat mijn Frans niet volstaat om dit in het origineel te lezen zonder woordenboek.
Probability Theory: the Logic of Science is een postuum verschenen boek van natuurkundige Edwin T. Jaynes. Het is persoonlijk en met een missie geschreven en veronachtzaamt de wiskunde ondertussen niet. Jaynes neemt de lezer mee langs een duidelijke hoofdweg, maar duikt regelmatig het struikgewas in. Daar ontmoet hij geurige bloemen en slijmerige draken. De laatsten maakt hij koud met het rapier van zijn venijnige intellect. In bepaalde kringen heeft dit werk al zo ongeveer cult-status en dat gebeurt niet vaak met boeken over dit onderwerp.
En last but not least, uit het Russisch vertaald in prachtig Duits: Statistische Physik van Nobelprijswinnaar Landau en diens leerling Lifshitz, twee gestorven onsterfelijken. Het woeste inzicht waarmee de heren een van de pijlers van de moderne natuurkunde opbouwen is adembenemend. Het boek is een lofzang op de menselijke geest, maar dwingt ieder die niet zo begaafd is als de schrijvers (de rest van de wereldbevolking, schat ik) tot nederigheid.
Ik ben klaar. De tien boeken zitten in mijn koffer. Als u mijn salaris voor het komende jaar betaalt kan ik gaan.
