Tussen hoop en vrees door Manuel Nepveu
Begin februari speelde Promotie I een thuiswedstrijd tegen DD, de eerbiedwaardige. A priori moest worden aangenomen dat dit een van de zwaarste wedstrijden in de poule zou worden, want hoewel het eerste van DD allang geen meesterklasse-status meer bezit, zoals een halve eeuw geleden, spelen er mannen in mee die weten wat schaken is. Het gevolg is dat je met bepaalde verwachtingen de strijd in gaat. Toen mij aan het thuisfront werd gevraagd wat ik van de strijd verwachtte gaf ik eerlijk aan dat ik niet op een klinkende overwinning rekende, zelfs niet op een niet-klinkende. Daar was nu eenmaal het feit dat er met invallers werd gespeeld en dat met name het ontbreken van Ben Ahlers toch wel heel vervelend was.
De wedstrijd had, zo leek het, een gezapig verloop. Binnen tweeëneenhalf uur was er remise geproduceerd op vier borden. Ik was onder de impressie dat de DD-er Jan Joost Lindner degene was die op remise uit was tegen Maarten van Zetten. Jean-Paul Drenth vertelde na afloop dat hij en zijn tegenstander Sibbing tot remise besloten in een stelling die in dynamisch evenwicht was. De vraag is gerechtvaardigd of Sibbing verder had kunnen gaan. Bij van den Bergh en Prakken heb ik slechts een paar glimpen opgevangen en wat ik in die glimpen meende te zien was: een licht voordeel voor Prakken.
Waarom vertel ik dit alles? De aanleiding is het commentaar van onze voorzitter op de website, daags na de worsteling. Ik geef hier weer wat hij schreef:
|
Promotie verliest van DD
3 feb 2007 (RK) Promotie heeft de wedstrijd tegen DD met 3½-4½ verloren. Op het eerste gezicht een regelmatige nederlaag. DD was vooraf als de sterkste ingeschat en Promotie was ernstig verzwakt. Er deden drie invallers mee, die door een remise van Maarten van Zetten een half punt scoorden. Toch is daarmee de nederlaag niet geheel verklaard. Binnen 2½ uur spelen waren vier partijen in remise geëindigd. Behalve Maarten hadden ook Jan van den Bergh, Sjaak Sibbing en Bernard Bannink het punt gedeeld. De wedstrijd begon te kantelen toen Willem Broekman verloor van Edgar Blokhuis. Weliswaar stond Igor Coene een gezonde pion voor, maar de uitslag van de partijen van Manuel Nepveu en invaller Bert Ouwens was onzeker. Uiteindelijk won Coene, verloor Ouwens en speelde Nepveu remise.
|
Is dit onzin of niet? Hebben van den Bergh, Sibbing en mijn persoontje laf gespeeld? Hebben zij de verantwoordelijkheid voor de uitslag niet al te simpel afgewenteld op de invallers? Uiteraard kan ik dat alleen beantwoorden aangaande mijn eigen persoontje. Omdat te kunnen doen wil ik de (korte) partij die ik speelde met U doornemen, waarbij ik vooral mijn emoties en gedachten tijdens de partij tot onderwerp van analyse maak.
Nepveu – Vistisen, bord 8
1 d4, Pf6 2 c4, c5
Ik heb het vast weleens eerder gezegd: wie de Benoni speelt, kent deze opening doorgaans goed. Immers, als je hem niet kent beleef je er weinig plezier aan en word je uiteindelijk gedwongen hem ofwel te bestuderen ofwel vaarwel te zeggen. Ik was dus gewaarschuwd.
3 d5, e6 4 Pc3, ed5x 5 cd5x, g6 6 Pf3, d6 7 g3, Lg7 8 Lg2, 0-0 9 0-0, Lf5!?
Ik kan niet beweren dat ik de Benoni goed ken, maar dit kwam mij niet bekend voor. Ik had ook niet de indruk dat het een geweldige zet was. Maar deze zet maakt wel dat ik mijn gebruikelijke opzet in deze stelling voorlopig even moest laten varen en volgens de eisen van de stelling iets anders moest spelen. Ik nam daar de tijd voor, alhoewel ik de aangewezen zet wel onmiddellijk zag. Maar ja, als je iets anders doet dan normaal, dan denk je daar wel over en ga je je niet haasten.
10 Pd2, Dd7
Niet onlogisch, gezien zet 9, maar nu goed op je in laten werken wat er allemaal mogelijk is.
11 a4, Lh3 12 Pc4, Lg2x 13 Kg2x, De7
Natuurlijk weet je als witspeler dat je hier in het voordeel bent. Zwart heeft een langzaam plan gekozen, te langzaam waarschijnlijk. Dan ga je dus nadenken over allerhande directe acties tegen de prominente zwakte d6. Maar je moet ook zwarts mogelijkheden blijven monitoren.
14 f3, Pbd7 15 e4
Natuurlijk blijf je continu kijken naar mogelijkheden om d6 direct te attaqueren. Op 15 Pb5 kan 15.., Pe8 zonder meer en dan is de witte paardzet een typische slag in de lucht, een onderbondszetje, zeg maar. Ik had tijd gebruikt, maar nog niet zoveel als mijn opponent, die kennelijk meer moeite had met de stelling dan ik.
15…, a6 16 Ta3, Tab8 17 Tb3, b6 18 Te1, Pe8
Hier ging ik uitgebreid rekenen aan de opstoot e5. Maar wat ik voor mijn geestesoog langs zag komen beviel me niets. Als ik e5 wilde doorzetten was verdere voorbereiding nodig. Ik koos uiteindelijk voor
19 Lf4
In deze zeer cruciale positie had mijn tegenstander nog maar 23 minuten om de veertigste zet te halen. Ik had er iets meer dan 30. Natuurlijk staat wit beter, maar gemakkelijk is het niet.
Na de partij gaf Prakken aan dat hij het punt voor mij al geteld had, maar hij had het wel over langzaam de druk opvoeren via een zet als g4 ("Zwart kan niets doen"). Lindner wilde de loper nu juist terug in zijn hok en met de pionnenopstoot f4 doorgaan ("De enige manier om te winnen"). Drenth, die op bord zeven ook een Benoni van enigszins vergelijkbare snit had gekregen, beweerde dat het doorzetten van e5 misschien niet het plan was en sprak bovendien iets uit dat ik uit ervaring ook wel wist ("Je kunt geen Benoni winnen zonder je tegenstander tegenkansen te geven"). Kortom, de heren van DD hadden wel ideeën, maar eensluidend waren die ook niet. Bij thuiskomst bleek Fritz ook heel eigen ideeën te hebben. Zo werd na het door mij ingebrachte vervolg 19…, Ld4 20 g4, de zet …, Pe5!? genoemd met gelijke
►
stelling. Fritz koos dan ook voor banen van uiterste geleidelijkheid, waarbij Wit de keuze had uit een aantal damezetten. De stelling is gewoon gecompliceerd en ondanks mijn onmiskenbare plus zou ik nog een lange weg te gaan hebben met slangen en schorpioenen op mijn pad.
Mijn gedachten waren intussen gefocussed op de diagonaal d6-g3, waar ik mijn loper op wilde houden en ik wilde mogelijk met g4 verder. Natuurlijk zag ik dat een zwarte opstoot …, b5 heel vervelend met Pa5 werd beantwoord en dus nog geen optie was, Maar op den duur zou zwart dat wel willen doen. Ik zag voorts dat de stelling niet zomaar eventjes gewonnen was als Zwart zijn koningsloper op d4 of e5 zou brengen en …, f6 zou spelen. Ik begon tijd te verliezen en het overwicht in tijd slonk. Ik was er steeds minder van overtuigd dat ik dit echt ging winnen.
19…, Ld4 20 Pe2 21 Lg7, Pc3 22 Pe2
Mijn tegenstander was ondertussen bij de nog aan de gang zijnde partijen gaan kijken. Het was wel duidelijk waaraan hij dacht. Bij terugkomst aan het bord leek hij er nog niet helemaal uit te zijn. Zelf had ik ook een blik op de borden van Ouwens en Coene geworpen. De uitslag bij Coene kon iedere gek wel voorspellen. Maar Ouwens? Hij stond niet zo slecht, dacht ik. Maar ja, van Egmond is natuurlijk wel de betere speler… Ik probeerde door herhaling van zetten tijd te winnen, hopende dat Zwart zijnerzijds tijd zou gebruiken om zijn strategie te bepalen. Op grond van mijn slinkende tijd, wetende dat ik geen tijdnoodduivel ben, besloot ik het halfje dan maar te pakken. Ik zou zeker veel tijd nodig gaan hebben voor het vervolg, met veel rekenwerk. Als ik me gerealiseerd had dat Ouwens qua tijd er slecht voorstond was mijn beslissing wellicht anders geweest. Maar nu, na
22…, Lg7 23 Pc3
claimde mijn opponent na enig nadenken remise (½ – ½). Later hoorde ik van Drenth dat mijn opponent zich als een vis in het water voelt bij weinig tijd, hetgeen een bevestiging was dat mijn "laffe" keuze niet helemaal onverstandig was geweest.
Is het nu zo dat er geen strijd is geweest? Dat ik niet heb gevochten? Neen, maar de strijd voltrok zich niet uitsluitend zichtbaar op het bord. Het was wikken en wegen, opties nagaan. Ageren tussen hoop en vrees, allemaal in het bolle hoofdje. De toeschouwer die zei: "Schaken is vechten, en dat zie ik niet" had gelijk, maar wellicht op een andere manier dan hem voor ogen stond…
