De H-index door Frans Martens
In mijn dagelijks werk heb ik veel te maken met de beoordeling van de kwaliteit van het werk van wetenschappers. Traditioneel is de belangrijkste methode om dat te doen te informeren bij gezaghebbende vakgenoten wat ze van een onderzoeksplan of een wetenschapper vinden. Deze methode staat bekend als peer review. Deze werkwijze wordt door wetenschappelijk onderzoekers die niet zo goed beoordeeld worden in twijfel getrokken, omdat deze niet objectief zou zijn. Al gauw vindt door deze personen dan zwartmakerij van het systeem plaats in termen van ‘allemaal vriendjespolitiek’, waartegen vervolgens niet echt goed verweer te geven is, ondanks alle integriteit die ik dagelijks tegenkom. En de hand in eigen boezem steken is de meeste wetenschappers vreemd, gewoon mensen kortom. Sinds een aantal jaren komen daarom meer objectieve benaderingen in zwang, zoals bijvoorbeeld de citatie-analyse. Ook daar is veel kritiek op, maar met allerlei verfijningen in de laatste jaren voegt het een extra dimensie toe aan de mening van peers over een bepaalde onderzoeker. Publish or perish mentaliteit wordt met het nieuwste systeem, de ‘H-index’, die een combinatie van citatie impact en productiviteit representeert, stevig beloond. Als professor moet je zorgen dat je op alle publikaties van je vakgroep staat, ook al heb je de zwoegende aankomend doctor gedurende zijn promotie-onderzoek alleen een keer bij het jaarlijkse personeelsuitje ontmoet. Maar toegegeven, het is het recept om een SPINOZA-premie te ontvangen, bijgenaamd de Nederlandse Nobelprijs. Minister Plasterk, H-index ruim boven de 40 (en dat haalt maar 1-2% van de onderzoekwereld), heeft zo’n SPINOZA-prijs gewonnen. Ik werk bij onze organisatie op het werkterrein van Plasterk, de biologie, tegenwoordig ook wel levenswetenschappen geheten, en in alle moderne oppervlakkigheid het liefst als life sciences betiteld (een echt container begrip, zodat de politici het idee hebben dat ze precies weten waar het over gaat). Pakweg 10 jaar terug, toen hij weer eens bij ons aanklopte voor een subsidie beklaagde hij zich er bij mij over dat de fysica veel meer geld te verdelen had dan de biologie. ‘Maar Ronald’, zei ik, ‘de fysici zijn toch ook gewoonweg de knapste jongetjes van de klas’. Zelden heb ik hem zo fanatiek weten terug te bijten; ‘de knapste jongetjes van de klas, dat zijn tegenwoordig de biologen; zeg, ben jij wel op je plaats hier?’
Wat heeft dit alles met schaken te maken? De H-index van het schaken is natuurlijk de Elo- rating. Maar die is wel veel eerlijker, mits gebaseerd op voldoende aantal partijen, want we spelen allemaal volgens de zelfde regels hetzelfde spelletje tegen elkaar. Niet de een die het principe van de laser ontdekt, een ander die een vaccin tegen mond- en klauwzeer ontwikkelt, of een derde die een polymere vezel ontwerpt die gebruikt kan worden in een kogelvrij vest. (Ik realiseer me nu plots dat bij al die zaken het 150 jaar geleden door Mendelev ontdekte Periodiek Systeem der Elementen overigens een meer dan handig achtergrondgegeven is, dus ’leve Mendelev!’, dat zijn pas de echte groten der aarde).
Mijn Elo-rating is de afgelopen twee jaar 150 punten gestegen. Ik worstel nog steeds met de vraag of dat ligt aan:
– Chris Schoon, die mij aan het lesgeven bij de jeugd kreeg met de belofte dat dat zeker 100 rating punten scheelt, een stelling die destijds door Mildo van Staden opportunistisch ondersteund werd (een voorzitter van de jeugd motiveert nu eenmaal potentiële lesgevers),
– mijn veelvuldige deelname aan vluggertjes op ICC, de Internet Chess Club,
– of gewoon aan de lessen van Willem Broekman 3 jaar geleden?
Ik zou het antwoord wel willen weten, zodat ik er gerichter verder aan kan werken, want alle drie blijven doen gaat misschien wel huwelijksproblemen opleveren. De peer die het weet mag het zeggen. Maar let wel, mijn actuele beroepsafwijking is dat ik momenteel nog slechts waarde hecht aan meningen van Elo 2000-plussers.
