Komende augustus worden de Olympische Spelen gehouden in Beijing. De mannen en vrouwen die goud halen zullen een prominente plaats krijgen in de geschiedschrijving van de sport. Degenen met zilver en brons zullen een voetnoot in deze historie worden en de anderen zullen zonder pardon in het vergeetboek raken. De competitie met als inzet de gouden plak is tevens een competitie in “eeuwige roem”.
Op alledaags niveau zien we veel duidelijker hoe onthutsend het mechanisme van de competitie werkt bij het verwerven van “eeuwige roem”. Onlangs keek ik naar een aflevering van Pauw en Witteman en realiseerde me plotseling dat er in tal van afleveringen een niet-BN-er aanschoof die zojuist een boek had gepubliceerd over een onderwerp van algemene interesse. Daarbij gaat het dan over de recente politieke geschiedenis of over iets dat met een hype te maken heeft. Zo’n niet-BN-er zit volop in een zekere concurrentiestrijd. Maar er zijn ook situaties waarbij de competitie niet met doelbewust optreden gepaard gaat. Laat ik het proces van verwerving van “eeuwige roem” hier eens onder de loep nemen aan de hand van twee voorbeelden.
Ik weet niet precies hoeveel nieuwe boektitels er jaarlijks in het Nederlandse taalgebied verschijnen, maar het zullen er (enkele) duizenden zijn. De uitgevers van deze titels hebben commerciële oogmerken, naast soms meer ideële. Het zou onjuist zijn om te zeggen dat al die titels met elkaar strijden om de de gunst van alle lezers in het Nederlandse taalgebied. Er zijn onderscheiden doelgroepen en uitgevers weten dat en gebruiken die kennis. Maar toch, wie geld uitgeeft aan Anet Bleichs biografie van Joop den Uyl, kan dat geld niet ook uitgeven aan Douwe Draaisma’s boek over de onzin van geheugen versterkende oefeningen. Zoveel weet ik nog net van economie. De aanwezigheid van de schrijver bij Pauw en Witteman zorgt ervoor dat de aandacht wordt gevestigd op des schrijvers geesteskind en de uitgever mag vermoedelijk rekenen op een mooie afname van het boek. Andere titels staan al op achterstand.
Als de horde van acceptabele verkoopcijfers is genomen is de uitgever tevreden, maar de schrijver vermoedelijk nog niet. Hij of zij wil toch wel dat het boek aandacht krijgt, dat er invloed van uit gaat. Een auteur die zijn boeken in groten getale bij de ramsj terugziet is geen blij man. Maar ook als het boek een dergelijke vernedering ontloopt is de weg naar erkenning en “eeuwige roem” nog lang en doornig. Toen Ruurd Kunnen zijn proefschrift het licht deed zien, had hij iets geproduceerd dat zowel voor (sport)sociologen als voor schakers interessant moest zijn. Inderdaad is zijn boek in een aantal Nederlandstalige sociologische tijdschriften besproken, maar de belangstelling van de schaakwereld viel uiteindelijk tegen. Ruurd bracht het boek onder de aandacht van prominente mannen in “onze” wereld, maar dat leidde niet tot aandacht in de relevante tijdschriften. De partijen van Kasparov en zijn directe concurrenten waren indertijd toch net wat belangrijker en als het budget van een tijdschrift ook nog eens krap is… Vraag is dus: hoeveel Nederlandse schakers weten überhaupt dat dit boek bestaat?
Misschien dat de sociologen-wereld de ideeën van Ruurd oppikt en verder ontwikkelt. Het boek is tenslotte in de vaktijdschriften besproken. Maar…daartegen spreekt dat het onderwerp bijna zeker buiten de directe interessesfeer van veel onderzoekers ligt. Het basis-idee leent zich in principe voor overdracht naar andere sporten, maar welke socioloog gaat honderden bladzijden uitpluizen over een sport die hem wellicht minder interesseert? Tijdens de promotie-plechtigheid hoorde ik van de kant van de commissie nota bene expliciet dat men soms niets met het schaken had. Als Ruurd niet zelf flink met het onderwerp aan de gang blijft, dan is de kans groot dat het basis-idee ten dode is opgeschreven. Niet omdat het apekool is, maar eenvoudig omdat er zoveel interessante(re?) onderwerpen zijn waaraan onderzoekers kunnen werken. Bruut geformuleerd wordt het boek dan uiteindelijk onzichtbaar, alsof het nooit was geschreven. Een pijnlijke vergelijking dringt zich op voor de manier waarop ideeën zich verspreiden en aanslaan. Die van soldaten die uit de loopgraven klimmen en recht op de vijandelijke mitrailleurs afstormen. Het veld zal spoedig bezaaid zijn met lijken en niet de “beste” soldaat overleeft, maar de gelukkigste.
Ook de schaakliteratuur met zijn roemrijke partijen is onderworpen aan een grillig soort van competitie. In het concrete geval dat mij voor ogen staat werkt het iets anders dan hierboven beschreven. Leest, maar houdt een plastic zakje bij de hand, of een emmer…
