Een sombere waarheid?

Over de doodstraf wordt veel gebazeld. Door voor- en door tegenstanders. De een zwetst over afschrikking, de ander zwatelt over de onaantastbaarheid van het menselijk leven. De een negeert de eeuwenoude feiten, de ander wentelt zich in de drab van morele superioriteit. En daarbij is de discussie volslagen futiel: wij hebben allen de doodstraf. We weten alleen niet wanneer en hoe het vonnis voltrokken wordt. Verduveld vaak blijkt het langzaam te zijn, met aftakeling als onderdeel van het executie-protocol.

Toen ik begon te spelen bij BSG ontdekte ik al vrij snel een geheide “puntenmachine.” Als je met een tegenstander te maken kreeg die je duidelijk met “u” zou aanspreken hoefde je eigenlijk alleen maar aan het bord te blijven zitten en je hoofd erbij te houden. De onnauwkeurigheden kwamen na een paar uur van de overkant, het punt kon automatisch geteld worden. Inmiddels word ik zelf door keurige jongelieden met “u” aangesproken.
Bij BSG wilde ik winnen. Ik hield mij niet zo bezig met de vraag of het ook mooie partijen waren die ik speelde. Ik speelde en bewaarde alles. Op een gegeven moment had ik ruim tachtig Nationale Nederlanden notatieboekjes, opgetast in een schoenendoos. Onhandig als je iets wil opzoeken voor een stukje in het clubblad. Opruimen was de boodschap, dat besef kwam. Maar wat bewaar je en wat niet? Welke criteria leg je aan? Op dat moment werd ik me scherp bewust, dat ik kennelijk meer wilde dan winnen. Acceptabele partijen spelen, veldslagen dirigeren waaraan je een goed gevoel overhoudt.
Het volstrekt natuurlijke gevolg is geweest dat ik sinds die tijd met extra honger begin aan partijen met de Banninken, de Ahlersen, de van den Berghen van onze club. Ja, zelfs partijen met de Noordhoeken van onze club zie ik nog redelijk gretig tegemoet. Veel partijen met hen heb ik bewaard. Vaak juist die waarbij ik zand moest happen. Tegen andere spelers incasseer ik bij voorkeur een punt en zou ik het notatiebiljet het liefst voor hun ogen verscheuren.

Aan het begin van dit kalenderjaar speelde ik een partij tegen zwart, die sip had kunnen kijken indien rechtvaardigheid over ons bord neergedaald ware. Helaas, dat laatste zou niet gebeuren. Terzelfder tijd waren in de speelzaal twee externe wedstrijden bezig. Naarmate de zaken daar vastere contouren kregen nam het geluidsniveau toe. Toen de laatste beslissing aldaar was gevallen, was er inmiddels sprake van een heuse kakofonie. Ik riep in arren moede een paar keer dat er nog geschaakt werd, maar het hielp niet. Kort daarop, in prettige en niet bijzonder ingewikkelde stelling schoot ik een bok. Mijn concentratie had het vierkant laten afweten. Een alleszins acceptabele partij was in seconden tijd naar de Gaza-strook gekatapulteerd, alwaar de Filistijnen wonen. Begrijp mij goed, het was net zo erg geweest als mijn tegenstander slachtoffer was geworden van een kortsluiting; ook in dat geval was de partij als constructie om zeep gebracht. Voor mij persoonlijk kwam er door dit voorval alleen nog iets bij. Het is in de externe competitie inmiddels al een hinderlijke gewoonte geworden om gewonnen stellingen niet te winnen. Begon het in de interne nu ook al? Een paar jaar geleden kon gewichtheffen boven het clublokaal mij niet storen, nu is schakers-gebalk al teveel. Zoals eerder meegedeeld, ik word door welopgevoede jongelieden tegenwoordig met “u” aangesproken.

Ik stuurde die avond een mailtje naar de wedstrijdleider intern en de voorzitter. Ik kondigde daarin aan mij uit de interne competitie te willen terugtrekken. Eerstgenoemde is natuurlijk drie dagen lang fluitend naar zijn werk gegaan, maar hij stuurde mij een mailtje dat hij mij vooreerst alleen op “afwezig” zou zetten. Merkwaardig, dit was zijn kans geweest. De voorzitter daarentegen greep deze unieke kans op intelligente, ragfijne wijze, een schaker meer dan waardig. Hij mailde mij het volgende terug: “…Als je alle dingen niet meer doet die minder goed gaan nu je ouder wordt, kun je je beter verhangen”. Ja, ik heb het wel door. Mij op een idee brengen zeker. Mooi niet!
Ik ben eerst maar eens gaan uitzieken. Dat heeft een paar weken geduurd. Valt nog mee eigenlijk. Ik ken iemand die ooit een dame weg blunderde en die vervolgens nooit meer intern heeft gespeeld. Sterker nog, hij is van ellende zelfs geëmigreerd. En verder… tja, sommigen verheugen zich nu eenmaal uitbundig als de tegenstander mat in één heeft gemist. Schaak als simpel vermaak, in ieder geval even weg bij dat vormeloze wijf met de deegroller.
Misschien moet ik evenwel ook iets anders accepteren. Ik weet dat alleen niet zeker en ik hoop het niet. Maar toch, het zou kunnen. Heel misschien laat Magere Hein met zijn satanische grijns merken dat mijn executie zo langzaamaan dan toch echt is begonnen.

Scroll naar boven