In ons Cultuurcentrum is de gemeentelijke bibliotheek gevestigd. Eigenlijk mag ik niet spreken van gemeentelijk, want het is een onderdeel van de bibliotheek Groningen. Gelet echter op het immense bedrag aan gemeentelijke subsidie, durf ik het nog steeds aan te spreken van ‘gemeentelijke bibliotheek’. Mijn echtgenote Valerie en ik zijn geen lid van de bibliotheek. Met gemiddeld een kilo raadsstukken en tijdschriften per week te verstouwen en een paar uur beeldschermwerk per dag heb ik de ogen al regelmatig op steeltjes staan en moet ik er niet aan denken ook nog boeken te moeten lezen. Ik lees alleen boeken tijdens mijn treinreizen. Valerie leest wel veel. Zij maakt echter gebruik van een andere ‘bibliotheek’, namelijk de plaatselijke inbreng, in Veendam kringloopwinkel genaamd. Twee keer per maand snuffelen we tussen de nieuwe aanvoer en schaft zij een stapeltje boeken aan. Als de boeken uitgelezen zijn en geen volgend leven krijgen bij een van de kinderen of niet als sieraad voor onze boekenkast worden beschouwd, dan gaan zij weer terug naar de inbreng. Onlangs schafte zij aan “De grote vrouw’ van de Israëlische schrijver Meir Shalev uit 1998, daartoe aangespoord door de op de achterzijde opgenomen recensies. Wetende dat voor mijn maandelijkse column aanknopingspunten nodig zijn, riep zij mij toen zij bij bladzijde137 was aanbeland. Het gaat hier over schaken! Kort legde zij mij uit, waar het boek over ging. De verteller Refael, is opgegroeid bij de ‘grote’ vrouw, een mengeling van zijn grootmoeder, moeder, twee tantes en zijn zuster. Alle mannen van deze vrouwen waren vroegtijdig overleden, een bitter lot dat hij ook voor zich zelf verwachtte. Grootmoeder wil dat de steenhouwer, Avraham, een stuk rots weghaalt uit de tuin. Avraham, die verliefd is op een van de tantes, maakt er ongevraagd een beeld van. Echter, grootmoeder wordt boos en wil geen beeld. Van het beeld maakt Avraham een zitbank, ook die wordt nors afgewezen. Maar Avraham geeft het niet op: na twee dagen hakken had hij er een schaakbord van gemaakt. Ik citeer: De velden waren niet geverfd, maar onderscheidden zich door de richting van de diepe scharreergroeven, zodat ze door de schaduwwerking donker en licht waren. Door de beweging van de zon wisselden de velden van kleur. Degene die ’s morgens zwart waren, werden wit na de middag. ‘En precies op het middag uur?’ vroeg Refael aan zijn oom. ‘Dan is het te warm om buiten te schaken’ antwoordde oom Avraham. Het bord wekte alom grote bewondering. Een paar dagen later kwam hij ook de stukken brengen, die hij uit keiharde steen had gehouwen. Er waren twee kleine koningen met brede schouders en een ondoordringbare blik, die weliswaar sterk van elkaar verschilden, maar toch een sprekende gelijkenis vertoonden met hun maker. Verder twee lange, stevig gebouwde koninginnen, vier massieve torens, vier mollige lopers, vier paarden met opengesperde neusgaten en zestien pionnen die eigenlijk zestien vrouwen waren, zonder gezicht en zonder middel, klein van stuk en met kolossale borsten. Avraham zette de stukken in de uitgehouwen sleuven en ging zonder dralen naar huis”. Einde citaat. Een ongewenste steen omgezet in een gewenst en bewonderd object; stukken die zeggende kracht hebben gekregen, de briljante vondst van de kleurwisseling van de velden. Deze schrijver heeft kans gezien iets bijzonders uit ons geliefde spel te halen. Nog éénmaal wordt het schaakspel genoemd. Aan één van de tantes wordt gevraagd, waarom zij schaak speelt. Het antwoord daarop is verbluffend: “Mannen doen het zoveel beter als ik ze eerst mat heb gezet”. Met dit antwoord kunnen we allemaal onze fantasie in de vrijloop zetten. “Moeten we onze vrouwelijke tegenstanders dan toch laten winnen” is de eerste, direct te verwerpen, gedachte. Verder zal ik niet gaan, doch onbevangen tegen een vrouw schaken, dat gaat voortaan moeilijk worden. “De grote vrouw” mag van Valerie blijven en krijgt een plekje in de huiskamer. Aan mij nu de zware taak de keuze te maken welk boek hiervoor naar de zolder moet.