De weerlegging

De weerlegging  door Manuel Nepveu

Een gebruikelijke situatie: u hebt een partij gespeeld, haalt hem door Fritz of Rybka en ziet dat er in de opening op zet X iets is gespeeld dat niet in het openingsboek staat. Ook de boeken van papier bieden geen uitkomst. Is er op zet X iets nieuws en briljants gespeeld, of zit het anders? De reactie van de elektronische monsters is dat een van de spelers een voordeeltje heeft, maar het genadeloze rinkelen van alarmbellen blijft uit. Een regelrechte blunder was het dus vermoedelijk niet. Toch zal het geen toeval zijn dat de zet op meesterlijk niveau niet gespeeld lijkt te zijn. Het zou weleens kunnen dat de gespeelde zet niet past in de openingsopzet, in feite tempoverlies betekent. Het lukt ons amateurs vaak niet zo’n minder juiste openingszet regelrecht te weerleggen. Weerleggen betekent niet per se “pats-boem-kledder”, het kan ook gaan om een reeks positionele zetten waarmee de schaduwzijden van de mindere zet worden blootgelegd. Waarbij de druk wordt opgevoerd, langzaam, sluipend en misschien culminerend in grof geweld.

De volgende, onlangs gespeelde partij geeft een redelijk fraai voorbeeld van zo’n weerlegging. Redelijk fraai? Daarover zijn de meningen diep verdeeld: de zwartspeler vond na afloop dat hij slecht had gespeeld en sprak terneergeslagen van een baggerpartij. Laat ik dan met fonkelende pretoogjes zeggen dat ik graag nog veel van zulke baggerpartijen speel… Zwart wordt na een dubieuze openingszet redelijk rechtlijnig in een duidelijk mindere stelling gemanoeuvreerd. Dat hij vervolgens een echte fout maakt heeft vermoedelijk met adrenaline te maken, gecombineerd met het reglementaire voorschrift dat “aan het gedrag van den schaakspeeler de hoogste eischen worden gesteld”. Ondertussen zat ik van het prachtige uitzicht te genieten: het bord, met daarachter de verfrommelde tegenstander. Ik zal uit kiesheid diens naam niet aan de openbaarheid prijsgeven. De hieronder opgevoerde naam is dan ook verschrikkelijk fictief.

MN – Bas Haan

Slavisch

1 d4, c6 2 c4, d5 3 Pf3, e6 4 e3, Pd7 5 Pc3, Pgf6 6 Dc2, b6

De volgorde van de zetten is onorthodox, maar het kan allemaal nog wel. Ik wist dat niet en aan het bord gezeten had ik mijn twijfels. Ruilen op d5 leek mij een geschikt vervolg.

7 cd5x, ed5x 8 Ld3, Ld6(?)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Hier is de cruciale zet. Standaard wordt deze op zet 6 gespeeld, met als bedoeling het doorzetten van de bevrijdende zet …,e5. Maar er valt nu niets meer door te zetten. Het openingsboek van Fritz8 geeft hier alleen de zetten …,Lb7 en …,Le7. Voor mij was deze stelling terra incognita. Op naar de denktank! De nu ontstane positie met de “vork-gevoelige” opstelling van een loper op d6 en een paard op f6 lokt wits plan als het ware uit. Zwart had op zijn volgende zet kunnen rokeren, maar dan was precies hetzelfde witte plan uitgerold. De lezer kan samen met zijn evt. elektronische hulpje nagaan dat wit ook dan aanmerkelijk voordeel zou bereiken.

9 0-0, Lb7 10 e4,  de4x 11 Pe4x, Le7

Met de laatste zet is duidelijk dat de loper op zet 8 beter direct naar e7 was gegaan. Als zwart geen ongelijk had willen bekennen, was ruilen op e4 mogelijk geweest, maar daar wordt hij ook niet veel gelukkiger van …. Intuïtief voelde ik dat het er nu op aankwam nauwkeurig voort te zetten. Wit kan weer een stuk ontwikkelen en zwart opnieuw tot een of andere concessie dwingen: tempoverlies, pionverlies, een gekraakte pionnenformatie. Zwart mag kiezen. Maar hoe dan ook, bliksemsnel kunnen de witte torens maximale posities innemen wanneer de witte dameloper is uitgereden.

12 Lg5, h6 13 Pf6x+, Pf6x 14 Lf6x, Lf6x 15 Tfe1+, Kf8

Teruggaan met de loper naar e7 lokt 16 De2 uit en dan komen misschien snode plannen met Pe5 gevolgd door Pf7x, De6 en Lg6+ in beeld. In ieder geval is zo’n absolute penning knap vervelend.

16 Tad1, g5?

Met 16…, Dc7 of …,g6 had zwart in kritieke stelling in elk geval taaiere tegenstand geboden. In het vervolg is de pion op f7 wits doelwit. Loper en paard worden in stelling gebracht. Na een eventueel offer op f7 kan Wit met zijn dame op g6 binnendringen, waarna mat niet te vermijden is. Dit verklaart waarom zwart in het vervolg afscheid moet nemen van zijn zwarte loper. Weer een verdediger pleite!

17 Lc4, Kg7 18 Pe5, Le5x 19 de5x, De7 20 e6

De elektronische meestertjes geven hier 20 Lf7x!, Df7x 21 e6 met totale vernietiging. Achter het bord heb ik deze mogelijkheid niet overwogen, de tekstzet is goed genoeg… Wat zwart als antwoord speelt maakt voor de uitslag van de partij niet meer uit, maar de gekozen voortzetting geeft wit de gelegenheid zwart direct tot overgave te dwingen.

20…, The8 21 Td7!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Zwart moet in eerste instantie hebben gedacht dat deze zet taboe was en dat hij nu met 21…, Dd7x kon antwoorden. Maar toen de stelling eenmaal op het bord stond zag hij -evenals u- dat die zet niet werkt en reikte mij uitgeblust de hand.

(1-0)

 

 

 

 

 

 

Scroll naar boven