Voltooid Verleden Tijd

De vakantietijd is uitermate geschikt om de schaakstudie georganiseerd en met volle aandacht op te pakken. Welke openingen en welke varianten wil ik in het komende seizoen gaan spelen? Moet er een en ander in de revisie? En ook het eindspel komt bij mij in de vakantieperiode zeker niet tekort. Met het verdwijnen van de afgebroken partij is het belang van concrete kennis op dit gebied alleen maar toegenomen. Regelmatig oppoetsen is daarom een kwestie van gezond verstand. In mijn bibliotheekje staan een flink aantal eindspelboeken. Een daarvan is echt bijzonder, ik heb het over “Hogeschool van het eindspel” (verder af te korten tot HE) van Euwe.

HE is een mooi, “ouderwets” gebonden boek; een rode, papieren omslag omhult een zachtgroene stoffen kaft. Het papier voelt anders aan dan in modernere boeken, is steviger en grover. De uiterlijke vorm reeds vertelt dat schrijver en uitgever geen eendagsvlieg dachten te publiceren. Hier ligt een boek dat even meegaat – nee, mee móet gaan. Als je het werkje openslaat zie je slechts de titel, de naam van Euwe en die van de niet meer bestaande uitgeverij van Goor Zonen uit Den Haag. Er is geen jaartal van publicatie, een vermoedelijk volledig onbedoelde onderstreping van tijdloosheid. Maar goed, dit zijn uiterlijkheden; wat maakt het boek nu echt bijzonder?
Om te beginnen is daar de stijl van presentatie. Het ligt voor de hand dat die afwijkt van wat heden ten dage gebruikelijk is, maar hij wijkt ook af van bijvoorbeeld “A Guide to Chess Endings” dat Euwe iets eerder geschreven had samen met de Engelsman David Hooper. In dat boek worden meer dan 300 stellingen in volle vaart besproken. In HE is de stijl totaal anders. De lezer wordt op een ontspannen manier aan de hand genomen door de schrijver. Hij kan zich een toerist wanen, op eindspelsafari met de ervaren reisgids Euwe. Elk wildebeest wordt van alle kanten bekeken, van zijn kruin tot zijn grote teen: HE is een boek waarin echt onderzocht wordt. Dat maakt het boek meteen ook sympathieker dan modernere boeken, waarin informatie zonder omwegen, ex catedra over de lezer wordt uitgestort. Een met HE in dit opzicht trouwens wel vergelijkbaar boek is “Praktische Endspiele” van Keres. Euwe en Keres waren (schaak)generatiegenoten en het is misschien niet helemaal toevallig dat zij een vergelijkbare houding tegenover de lezer etaleren.
Euwe gaat grondig op zijn voorbeelden in en geeft aan waar zijn inzichten nieuw zijn. Dat begint al meteen bij het allereerste voorbeeld in dit boek, een stelling uit de partij Teichmann-Blackburne, Berlijn 1897. Voordat Euwe ook maar een variant laat zien begint hij met een inventaris van de verdedigingsmogelijkheden van de in het nauw zittende witspeler en dan blijkt er een mogelijkheid te zijn waarover tot dan toe door geen commentator werd gerept. Vervolgens gaan varianten en uitleg hand in hand. Zoals u weet heeft Euwe langere tijd als leraar voor de klas gestaan. Het boek legt daar getuigenis van af wanneer Euwe in de inleiding uitlegt hoe hij de lezer moeilijkheden wil laten overwinnen : “…Om dit te bereiken is o.a. gepoogd, de meest ingewikkelde vraagstukken te splitsen en deelproblemen afzonderlijk te behandelen…” . Met een dergelijke opmerking betoont Euwe zich trouwens zowel een geboren leraar als een wiskundige.
Als we naar de voorbeelden in HE kijken dan valt er tenslotte nog iets anders op. In eindspelboeken komen de voorbeelden altijd uit de internationale praktijk van de (groot)meesters. Euwe neemt in HE rustig voorbeelden op van schakers die geen internationale allure hadden en van eindspelen die kennelijk uit de clubcompetitie komen. Zo bespreekt hij een eindspel uit een partij Wolthuis – van Scheltinga. Scheltinga was zijn hele leven amateur, eentje die het tot internationaal meester schopte, maar wie is Wolthuis? Nou, toevallig heeft ons Boliviaanse erelid ooit van hem gewonnen en ikzelf heb hem in kwieke doen gezien tijdens finales van het bedrijvenschaak in de jaren negentig. Wolthuis speelde jarenlang in de hoofdklasse en was ooit toernooidirecteur van het IBM-toernooi. Hij was een plaatselijk bekende grootheid. Was, want hij is niet meer. Maar wie is eigenlijk die meneer de Jong uit de “krachtmeting” Euwe – Th. de Jong die in het boek een eindspel oplevert dat drie bladzijden vergt? Euwe kijkt niet naar namen, maar puur naar de inhoud. Hoeveel moderne schaakschrijvers doen hem dat eigenlijk na?

Er worden niet veel leerboeken meer over het eindspel in het Nederlands geschreven -u begrijpt het. Ook de “langzame” benadering met veel aandacht voor de mogelijke plannen en veel expliciete uitleg lijkt toch vooral iets van het verleden. HE was een leerboek bedoeld om rustig te worden doorgewerkt, door “onthaaste” mensen. Die sympathieke, vaak aan de sigaar verknochte soort bestond zo’n halve eeuw geleden nog. In de kantlijn wil ik nog opmerken dat “Hogeschool van het eindspel” een waar genot is voor iedereen die verzorgd Nederlands op prijs stelt.
De lezer zal zo zoetjes aan wel dezelfde conclusie trekken als ik onlangs deed: dit boek moge qua presentatie op grote hoogte staan, het is onverbiddelijk een relikwie van een voltooid verleden tijd.

Scroll naar boven