Mijn eerste schaaktoernooi heb ik gespeeld in 1969, het schoolschaakkampioenschap van Hilversum. Een van mijn tegenstanders was de huidige hoogleraar Arjo Klamer, die wel eens op tv verschijnt als het over iets wazigs gaat. Later speelde ik in het BSG Pinkstertoernooi, alwaar de aanwezigheid van een ordinair type in “hot pants” aanleiding gaf tot een bepaald soort grappen.
Tijdens mijn tijd in Bonn verbreedde ik mijn schaakhorizon en speelde ik mijn eerste buitenlandse toernooi en wel in Groningen, 1980. Sinds Baden-Baden 1993 is het zelfs bijna ieder jaar raak. Bannink, Noordhoek en Eggink hadden mij gevraagd om mee te gaan. Alsof ze voorvoelden dat ze een “verkneukelmoment” gingen meemaken! Aan het toernooi deed een zekere Chris Panagiotidis mee, ik ken zijn naam nog steeds. In onze partij zag ik mat in een paar zetten en deelde dat aan de anderen mee. Zij en Chris P. zagen ook een mat, maar niet helemaal hetzelfde mat als ik.
Ik heb dus vrij ruime toernooi-ervaring en daaruit put ik twee observaties.
In toernooien in Nederland vraag ik de tegenstander of hij iets wil drinken wanneer ik zelf aan koffie toe ben. Het is elementaire hoffelijkheid waarvan ik zou menen dat die gewaardeerd wordt. In Duitsland en Oostenrijk blijkt zulk gedrag echter volledig ongebruikelijk te zijn. Vaak, als ik tijdens de partij aan mijn opponent vroeg of die iets wilde drinken, werd er verbaasd, soms zelfs verwilderd gereageerd. En dat lag vast niet aan mijn Duits. Ik maak zelf onderscheid tussen gedrag óp het schaakbord en náást het schaakbord. Het feit dat je de tegenstander koffie aanbiedt weerhoudt hem noch mij ervan de vijandelijke koning te mollen. Toch? In Duitsland en Oostenrijk ziet men dat misschien anders, wil men misschien “den totalen Krieg”. Door ervaring wijs geworden bied ik inmiddels op buitenlandse toernooien de tegenstander niets meer aan.
Nu dan de tweede observatie. Ik heb gemerkt dat men in het Duitssprekende buitenland vaak niet de neiging heeft om voor de partij kort kennis te maken. Soms blijkt zelfs regelrechte desinteresse uit het feit dat men ruim voor de partij de blik op oneindig gefixeerd heeft -ofschoon mijn forse gestalte uitzicht op datzelfde oneindige ernstig inperkt. De tegenstander speelt, zo lijkt het, niet tegen de persoon N, maar tegen “rating 2000 en nog wat” en hij wil scoren. De schaakpartij krijgt aldus het karakter van rechtlijnige zelfbevrediging, dierlijk en onhoffelijk. Maar in dit geval ga ik niet mee in het tonen van desinteresse en zet ik keihard door: ik zoek voor de partij contact met mijn tegenstander. Noem het een vorm van egoïsme. En nu ik deze zinnen neerschrijf besef ik plotseling ook waarom ik geen enkele behoefte heb aan internetschaak. Jemig…
