Kosmische schakers

Tot ver in de achttiende eeuw was het Zonnestelsel wat overzichtelijker dan nu: er waren maar zes planeten bekend. Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter en Saturnus hielden de astronomen flink bezig. Een speelse vraag die zo nu en dan boven kwam drijven was deze: zou er een eenvoudige regelmaat te ontdekken zijn in de afstanden van deze planeten tot de Zon? Kepler stelde zichzelf deze vraag aan het begin van de zeventiende eeuw en ook de Pruisische astronoom Titius deed dat, ruim een eeuw later. In 1766 gelukte het laatstgenoemde om een eenvoudige regel te formuleren. Een zekere Bode zorgde vervolgens voor de pr, zal ik maar zeggen. Die regel is de geschiedenis dan ook ingegaan als de regel van Titius-Bode. Een beetje maffe regel, maar niettemin eentje met gevolgen.
Neem de reeks n = -oneindig, 0, 1, 2, ….. en vul deze waarden in de formule r(n) = 0,4 + 0,3 x 2(tot de macht n) in. Dan geeft r(n) achtereenvolgens de afstanden van de planeten tot de Zon, uitgedrukt in Aardafstanden. Voor Mercurius tot en met Mars klopt de regel binnen vijf procent. Maar dan. Bij n=3 vinden we r(3) = 2,8. Maar daar staat de verwachte planeet Jupiter helemaal niet… Neen, diens positie komt loepzuiver overeen met het volgende getal in de reeks, r(4) = 5,2. Voor Saturnus met r(5) = 10,0 klopt de regel ook weer aardig. Toen in 1781 de zevende planeet, Uranus, werd ontdekt, bleek dat ook hij zich netjes aan de regel hield: r(6) = 19,6 en dat klopt binnen twee procent. Dit versterkte het gevoel dat de regel zo gek nog niet was. Maar waarom werd de term met n=3 knalhard overgeslagen? Zou er dan misschien een planeetje rondbanjeren tussen Mars en Jupiter, verantwoordelijk voor de term met n=3 en nog door niemand ontdekt? En ja hoor, op Nieuwjaarsdag 1801 werd miniplaneetje Ceres gevonden, op de afstand die door de regel van Titius-Bode werd aangegeven. Onverwacht echter werden er binnen enkele jaren nog drie kleintjes ontdekt: Pallas, Juno en Vesta -en ook met afstanden in de buurt van de voorspelde afstand van 2,8. Na 1845 werden er elk jaar wel een stuk of wat nieuwe “planetoïden” ontdekt. In de laatste decennia is er zelfs sprake geweest van een ware ontdekkingsdiarree. Inmiddels kent men grofweg tweehonderd en vijftigduizend van deze kosmische rotsblokken, verreweg de meesten met afmetingen van hooguit een paar kilometer. Zij trekken hun baantjes overigens lang niet allemaal tussen Mars en Jupiter.

De planeten van het zonnestelsel hebben namen die aan de Romeinse mythologie ontleend zijn. Ook de eerste paar honderd planetoïden kregen van hun ontdekkers namen uit de Romeinse mythologie. Maar ja, het houdt een keer op natuurlijk. De ontdekkers hebben op een gegeven moment de relatie met de Romeinse mythologie volledig moeten laten varen. Laten we bijvoorbeeld maar eens kijken naar de naamlijst van “Nederlandse” planetoïden, te vinden op Wikipedia.
Planetoïde nummer 392 werd genoemd naar een veertienjarig grietje dat later Koningin der Nederlanden zou worden. “Juliana” werd in 1916 ontdekt en “Bernard” in 1973, nog juist voordat de beerput van de Lockheed-affaire openging. Gelukkig vinden we ook mensen op de lijst die hun plaats echt verdiend hebben. Zo trekken de astronomen Minnaert, de Sitter en Oort elegant hun welverdiende banen om de zon. Mijn beide promotoren staan op de lijst en ik gun het ze van harte. Dan zijn er namen van schrijvers, componisten, Nobelprijswinnaars, zee- en verzetshelden, Annefrank en Miepgies en uiteindelijk ook van … totale onbenullen. U zult het mij niet euvel duiden dat ik daar even niet expliciet op in ga.
Maar hoe zit het met schakers? Zijn ze aan de hemel vertegenwoordigd? Er zullen toch nog wel wat vormeloze rotsblokjes voor hen overschieten? Inderdaad, er blijkt een planetoïde te zijn die naar Karpov is genoemd. Gezien ’s mans huidige omvang is dit volledig te rechtvaardigen en bovendien heeft hij, net als de meeste planetoïden, de uitstraling van een aardappel. Maar waar is Euwe? Waar is Timman? Waar speert Donner in het rond? Op de lijst van “Nederlandse” planetoïden staan ze niet. Ik stel voor dat we gaan lobbyen. Dat kan zomaar succes hebben, want op deze manier is de planetoïde Zappafrank (nummertje 3834) aan zijn naam gekomen. Kortom, hier ligt een schone taak voor een gepensioneerde die niet werkeloos op de komst van de heer Alzheimer wil wachten en die eventjes niets beters te doen heeft. De dank van de schaakwereld zal groot zijn. De mijne helemaal, want ik zie ze graag vliegen…

Scroll naar boven