Hans Ree over

Hans Ree over

R. de Vries

 

 

 

 

Hans Ree over Viktor Kortchnoi [1]

 

Verschillende samenlevingen creëren verschillende manieren van bedrog, en in de Sovjet-Unie werd bedrog in het schaken vaak van hogerhand opgelegd. Kortchnoi schrijft dat hij in 1947, toen hij het jeugdkampioenschap van zijn land had gewonnen, geschokt was toen hij vernam dat een van de deelnemers gedwongen was geweest om tegen hem te verliezen, voor het algemene belang van het jeugdschaak. Hij behandelt een lange rij van soortgelijke incidenten. Soms gaat het om bevelen van hogerhand, soms zijn het privé-samenzweringen.

Soms is het ingewikkeld. Bronstein bekent tijdens het Sovjetkampioenschap van 1960 dat hij met opzet van Geller heeft verloren, om goed te maken dat Krogius met opzet had verloren van Gellers concurrent Petrosian. Bronstein wilde niet dat Petrosian op die manier kampioen zou worden en hielp

daarom Geller een handje.

‘En ik dan?’ vroeg Kortchnoi. Hij was zelf ook in de race voor de titel en werd gedupeerd door de hulp aan Geller. ‘Jouw stelling was al slecht en Petrosian moest gestopt worden’ zei Bronstein. Kortchnoi schrijft: ‘Deze dialoog, beste lezer, zal u er zeker van overtuigen dat het in de Sovjet-Unie een waarlijk heroïsche prestatie was om het nationale kampioenschap op eerlijke manier te winnen.

 

 

 

 

 

Hans Ree over Max Euwe

 

We kenden elkaar ongeveer twintig jaar, maar ik heb hem nooit Max genoemd, altijd ‘meneer Euwe’. Donner ontliep de moeilijke keuze tussen het voor hem te familiaire ‘Max’ en het te formele ‘meneer Euwe’ door hem altijd aan te spreken als ‘grand-maitre’. Mevrouw Euwe noemde hij vaak de grand-maitresse.

Een jongere generatie dan de mijne had geen problemen meer met de aanspreekvorm. John van der Wiel, die met Euwe in het team van de schaakclub Volmac-Rotterdam speelde, noemde hem ondanks het leeftijdsverschil van bijna zestig jaar altijd gewoon Max en was ervan overtuigd dat Euwe dat het prettigst vond.

 

 

 

 

 

Hans Ree over Rob Hartoch

 

Ieder jaar speelde hij op de kermis op de Amsterdamse Nieuwmarkt een simultaan aan het reuzenrad. De tegenstanders in hun kooien draaiden met een schaakbord voor zich aan hem voorbij, deden een zet als ze beneden waren en dan moest Rob snel een tegenzet doen voor de vogel gevlogen was. Zulke dingen vond hij erg leuk.

 

 

 

 

 

 

Hans Ree over het hoekveld

 

Het schaakbord heeft vierenzestig velden, die in de praktijk meestal geel en bruin zijn, maar voor het gemak altijd wit en zwart worden genoemd. Het hoekveld dat voor de witspeler rechtsonder ligt is wit en we zijn daar zo aan gewend dat het pijn aan de ogen doet als het bord verkeerd is neergelegd. Het wordt erg vaak verkeerd neergelegd, niet bij schaakwedstrijden, maar als het schaakbord alleen gebruikt wordt als een decoratief element. Als je een schaakbord ziet in een advertentie of in de etalage van een banketbakker, met velden van witte en bruine chocola, zijn de hoekvelden rechtsonder en linksboven bijna altijd donker. Het bord staat verkeerd. Over de vraag hoe dat komt hebben veel schakers zich al het hoofd gebroken. Onwetendheid kan niet de enige oorzaak zijn, want dan zou het bord maar in de helft van de gevallen verkeerd staan. In werkelijkheid staat het in minstens tachtig procent van de gevallen verkeerd. Het zou kunnen zijn dat niet-schakers het schaakbord mooier vinden als de rechter-benedenhoek zwart is, maar misschien is dat niet de enige juiste verklaring van het raadsel van het verkeerde hoekveld.

In de straat waar ik woon zijn veel antiquairs, die soms oude schaakspellen verkopen. Een goede gelegenheid om het mysterie van het verkeerde hoekveld aan de orde te stellen. ‘Weet je wel dat de schaakborden in jouw etalage bijna altijd verkeerd staan?’ vroeg ik aan een bevriende antiquair. ‘Ja dat weet ik,‘ zei hij glimlachend en hij legde uit waarom dat zo was.

‘Vaak komt er dan een betweter de winkel binnen om te vertellen dat mijn borden verkeerd staan. Ik bednk hem vriendelijk voor zijn correctie. De bezoeker raakt in een goed humeur omdat hij me verbeterd heeft en een tevreden bezoeker is al bijna een klant. Er ontstaat een prettig gesprek, en een goed handelaar weet dat een gesprek vaak de inleiding tot een verkoop is.’…..

 

 

 

 

 

Hans Ree over Viktor Kortchnoi [2]

 

In de eerste negen partijen kwam Kortchnoi vier punten voor. Daarna ging Spassky zich vreemd gedragen. Hij zat tijdens de partijen niet meer achter zijn bord, maar bleef in zijn rustkamertje achter de coulissen van het toneel. Vandaar keek hij naar het demonstratiebord waarop de toeschouwers in de zaal de partij konden volgen. Af en toe ging hij naar het bord. om zijn zet te doen en dan trok hij zich weer terug. Kortchnoi klaagde dat hij zich voelde als een deelnemer aan een simultaan, waarin de meester af en toe aan het bord komt en dan weer wegloopt. Hij maakte een paar akelige blunders en Spassky won vier partijen achter elkaar.

Toen ging Kortchnoi hem imiteren door zelf ook in zijn rustkamertje te blijven. Spassky liet de waanzin escaleren door eerst met een zonneklep op zijn zetten te doen en later zelfs met een duikersbril. De toeschouwers zagen een leeg toneel waar af en toe de spelers als elkaar afwisselende weer-mannetjes opkwamen en weer afgingen, een van hen met een duikersbril op zijn hoofd. Zo zag een kandidaten-match om het wereldkampioenschap er in 1977 uit. Kortchnoi won de match met 10½-7½.

 

 

 

 

 

Hans Ree over de draaideur

 

Als drie schakers door een draaideur gaan, gaan ze in volgorde van hun Elo-rating, zei de Engelse grootmeester Raymond Keene eens. Ja, we koesteren onze hiërarchie.

 

 

 

 

 

 

Hans Ree over Vladimir Nabokov

 

Wit geeft mat in twee zetten

 

Volgens de uitleg van Nabokov zou de naïeve oplosser die niet verder kijkt dan zijn neus lang is, hier algauw de oplossing,kunnen vinden, die begint met 1. Le4-c2, waarna wit inderdaad tegen alle zetten van zwart op de tweede zet mat zou kunnen geven.

Voor de meer wereldwijze oplosser had Nabokov een dwaalspoor uitgezet, de verleiding 1. b7-b8P. Een minorpromotie tot paard, vaak een motief in een probleem, waarna zwart de gelegenheid krijgt om op drie manieren

een aftrekschaak van zijn Tg7 te geven, maar tegen al die schaakjes kan wit met zijn volgende zet mat geven. Ook dat was een standaardmotief. De juiste verdediging tegen 1.b8P is echter 1. … c2,waarna er geen mat is. Als hij dat eenmaal heeft opgemerkt, vindt de wereldwijze oplosser alsnog de sleutelzet 1. Le4-c2, ‘zoals iemand op een dwaaltocht van Albany naar New York kan gaan via Vancouver, Eurazië en de Azoren. De aangename ervaring van de omweg (vreemde landschappen, gongs, tijgers, exotische gebruiken, de driemaal herhaalde rondgang van een pasgetrouwd stel rond het heilig vuur van een aarden komfoor) zou hem ruim belonen voor de narigheid van het bedrog, en daarna zou de vondst van de simpele sleutelzet hem een synthese van pikant artistiek genot verschaffen.’

 

PS. Het boek kent geen diagrammen; bovenstaand diagram is pure service van uw redactie.

 

 

 

 

 

 

 

Hans Ree over Constant Orbaan en Hein Donner

 

Donner deelde in Göteborg met twee anderen de laatste plaats. De schaakjournalist mr. Evert Straat, die daar voor de Volkskrant was, tekende op dat Donner klaagde dat een kermis vlak bij de speelzaal het bijna onmogelijk maakte om zijn eigen gedachten te volgen, en dat Orbaan toen zei: ‘Dat is misschien maar beter ook, kerel.’

 

 

 

 

Scroll naar boven