Schotse Snollen

Voorjaar. Tijd om te bepalen waar deze zomer geschaakt moet worden. Door reislustigen als Henk Noordhoek, Bernard Bannink, Gerhard Eggink en uw dienaar. Bernard kwam al gauw met een toernooi in Schotland aanzetten. Sommige anderen vonden Pardubice ook een goed idee, maar het werd al snel duidelijk dat Bernard (ook) deze duw- en trekpartij ging winnen. Goed, Schotland dus. Het 119e Schots Kampioenschap. Te houden in Glasgow. Er zou in de periode 7-15 juli elke dag tussen one o’clock en seven o’clock gespeeld worden en daarmee was een ding op voorhand duidelijk: van Schotland zou het reisgezelschap niets anders zien dan Glasgow. Geen Edinburgh, zeker geen Inverness, alleen Glasgow.  Het is dus goed om eventjes bij deze stad stil te staan. Dat kan bijvoorbeeld door Wikipedia eens te raadplegen.

Het aanzicht van Glasgow heeft volgens Wikipedia zijn moderne vorm gekregen in de laatste twee eeuwen. Een grote rol is daarbij gespeeld door de scheepsbouw aan de rivier de Clyde. Die heeft in eerste lijn voor de nodige werkgelegenheid gezorgd en, te zien aan de huizen, voor de nodige voorspoed. Maar daar is de klad in gekomen. En dat nu wordt door de Nederlandse versie van Wikipedia niet bepaald duidelijk over het voetlicht gebracht. De grote huizen in het centrum zijn typisch negentiende-eeuws, met tierelantijnen en al. So far so good. Maar wat er niet in de Wikipedia staat is dat het een en al vergane glorie is. De gebouwen bladderen af, het pleisterwerk heeft doorgaans veel betere dagen gekend. En er lijkt geen initiatief te zijn om dat dan eens lekker te gaan restaureren. Ik kreeg visioenen van Dresden waar het reisgezelschap in 1998 en 1999 ook was geweest en waar een enigszins vergelijkbare situatie zich voordeed. Glasgow is een “run down place”, iets anders kun je er niet van maken. Zeker, enkele gebouwen zien er nog puik uit, zoals het Hunterian Museum, onderdeel van Glasgow University en het Kelvingrove Art Gallery and Museum. Maar dat zijn paradepaardjes, die natuurlijk keurig in ere gehouden worden.

Welnu, het gaat niet aan om alleen maar lullig te doen over wat creperende gebouwen. Laten we eens kijken wat de musea te bieden hebben. Daarbij moeten we denken aan de genoemde musea, maar ook aan het Galery of Modern Art, in het hartje van de stad en Glasgow Cathedral. Even wat cultuur dus. Eventjes doorbijten, jij cultuurbarbaar!

De Glasgow Cathedral zou gebouwd zijn op de plek waar de “stichter” van de stad, een zekere Kentigern begraven zou zijn. Welnu, het is een kathedraal van niets. Er zit nog wel glas-in-lood op sommige plekken waar je dat verwachten mag, maar het meeste is weg. Het is geen gezicht. De gids was een aardige Schotse mevrouw die op zo ongeveer al mijn vragen het antwoord schuldig moest blijven. Maar niet getreurd: gelukkig lagen er wat oude graven om het bouwwerk heen, zodat ik niet het gevoel had helemaal voor niets de lange wandeling naar dit inkt- en inktzwarte monument gemaakt te hebben. Inktzwart van de vervuiling natuurlijk, dat spreekt. Ook daar schijnt men niets aan te gaan doen, uit angst dat dan het gebouw beschadigd wordt. Als U ooit naar Glasgow gaat hoeft U hier dus niet heen, tenzij U dezelfde hobby heeft als ik, want … niet ver van de kathedraal ligt ook de Glasgow Necropolis, Glasgows beroemdste dodenakker. Helaas maakte een kleine inconveniëntie het mij onmogelijk om daar heen te klimmen, anders had ik kunnen zwelgen in gepast historisch genot – ik had bijna het bijvoeglijke naamwoord “necrofiel” gebruikt, maar dat betekent net iets anders. Noordhoek merkte natuurlijk zoetgevooisd op dat hij de dodenakker graag had willen bekijken, maar dat ik helaas de beperkende factor was. A propos, is er misschien iemand bereid om hem voor een zacht prijsje in een achterafsteegje van Zoetermeer een lesje te leren?

De Galery of Modern Art is een giller. U verstaat mij goed: een giller. We zijn een kwartier binnen geweest. Kunstenaars van de derde garnituur lieten hun prutswerk aan de bezoekers zien en er was zelfs iemand die op een televisiescherm uitsluitend via lange geschreven zinnen kond deed van haar psychische problemen. Volgens mij hadden die te maken met het feit dat zij Duits was en een probleem had met het woord “lesbisch” en nog zo wat van die onzin. Uiteraard was zij zelf psychotherapeut. Volgens mij heeft dit zielige type in dat hele stuk niet eens haar naam gezegd en dat is achteraf gezien ook inderdaad niet van belang. Nadat we buiten stonden hebben we gebruld van het lachen en zijn daarna lekker een hapje gaan eten bij een Italiaan.

Het Hunterian Museum is daarentegen wel een bezoek waard. William Thomson, ook wel bekend als Lord Kelvin is daar de centrale figuur. En terecht. Ieder van U die ook maar een beetje natuurkunde heeft geleerd moet van hem gehoord hebben. Ik kende hem voornamelijk van de fundamentele temperatuurschaal (elke fysicus-in-functie drukt een temperatuur uit in “Kelvin” ). Maar hij heeft ook maatgevend bijgedragen aan het uiteindelijk succesvol leggen van de trans-Atlantische telegraafkabel in de negentiende eeuw en trucs bedacht om een kompas op een ijzeren schip te laten doen waarvoor hij bedoeld is. Lord kelvin was dus ook nog eens praktisch ingesteld en zeer in nautische kwesties geïnteresseerd. En hij wist studenten zeer praktisch onderricht te geven. Goeie vent, die Kelvin. Hij werd overigens tot Lord Kelvin benoemd naar het gelijknamige riviertje niet ver van ons hotel. Ik heb minutenlang staan mijmeren op een brug boven dit kolkende liefelijke ding, terwijl auto’s achter mij langs de Great Western Road raasden. Het is mijn manier om contact te maken met de doden.

In het Kelvingrove Art Gallery and Museum was er een collectie Franse, Italiaanse en Hollandse Meesters. Het waren niet bepaald de bekendste stukken, maar de compositie en de tekstuele uitleg waren voortreffelijk. Er hing zelfs een Rembrandt, geheel onbeschermd. Als er een idioot met een spuitbus…. neen, niet aan denken Manuel!

Zo, dit was dan de cultuur. Dit stukje is langer uitgevallen dan ik oorspronkelijk bedacht had. Misschien is dat wel een goed teken eigenlijk. En dan wordt het nu tijd om ons eens uitgebreid te gaan verdiepen in de titel van dit verhaal: Schotse Snollen. Is het dan soms zo dat het reisgezelschap zich heeft ingelaten met Schotse snollen? De keurig getrouwde Eggink? De onbedorven Bannink? De ideale schoonzoon Noordhoek? Uw stokoude maar door de wol geverfde dienaar? Neen, drie .. eh vierwerf neen! Het was veeleer zo dat grote verbazing zich meester maakte van het reisgezelschap. Het ging meer om wat er zich voor onze blikken ontrolde. Ik herinner me een Britse televisieserie waarin de gebeurtenissen van een aantal meiden, nou ja rijpere types, werden gevolgd. In de weekenden gingen de dames op pad met geen ander doel dan om “to get laid.” De outfit van de dames was me wel bijgebleven als zeer effectief in dat opzicht, een open invitatie zal ik maar zeggen. Daar heb ik ook de uitdrukking geleerd van “fuck-me-shoes”. Zeer toepasselijk, zeer toepasselijk. Welnu, na de eerste ronde van het toernooi (op een zaterdag dus) kwamen we terecht in zwermen al of niet rijpere types die PRECIES zo uitgedost waren als ik me het van de genoemde tv-serie herinnerde.

Het Schotse Snollendom was uit alle hoeken en gaten van de stad te voorschijn gekomen met klaarblijkelijk geen ander doel dan om die avond geheel en al horizontaal te eindigen. Wat ik in de televisieserie gezien had als Britse humor en een tikje “overdone” was hier in Glasgow totale werkelijkheid. Snollen in tule, snollen in leggings, snollen in bruidskleding. Maar bovenal snollen in schoeisel van onbedaarlijke hoogte. Daar viel toch niet op te lopen? Inderdaad, sommige snollen strompelden. Bovendien was er overal spierwit vlees te zien. In Glasgow worden de bewoners niet verwend met veel zon en de gebruinde snol is dan ook een uitzondering. Een gebruinde Schotse snol is duidelijk in het buitenland geweest. Mocht U nu denken dat alleen het aantrekkelijke deel van de snollenbevolking zich zo uitdoste, nou nee. Ook de adepten van Miss Piggy deden enthousiast mee aan het exhibitionistische festijn, waardoor ik mij meer dan eens gedwongen voelde een gans andere kant op te kijken. Inderdaad, zelfs ik weet wat plaatsvervangende schaamte is. Had U niet gedacht, hè? Op de laatste zondag van ons verblijf zag ik enkele overrijpe types over een plein lopen. Dat viel echt op, want alleen de vrijdag en de zaterdag worden gebruikt voor dit exhibitionistische volksvermaak. Het maakte dan ook een beetje zielige indruk. Hadden zij zich in de dag van de week vergist? Qua leeftijd van deze types zou dat kunnen…

Er werd in Glasgow overigens geschaakt. Uiteraard, want daarvoor waren wij er gekomen. Er werd gespeeld in de Trades Hall, een soortement gildehuis. Op de typisch Britse plakkaten konden we precies zoen wie daar in bijvoorbeeld 1918 voorzitter van deze vereniging was geweest. Schilderijen van deze belangrijke heren sierden de wanden. Overigens, elke ronde als we aankwamen werden we opengedaan door een portier in een passend rood jasje. “Good morning, sir.” Gratis thee en oploskoffie. Dat laatste is gebruik op het Britse eiland en de smerigheid ervan ruik je al op een meter afstand. Zoals te verwachten was werd in het toernooi de onderlinge rangorde weer eens bevestigd. Bannink en Noordhoek grepen de zwakkere tegenstanders en werden op hun beurt gegrepen door de sterkere. Bannink vergiste zich daarbij een keer en moest in remise berusten tegen iemand die hij volgens het genoemde recept had moeten palen. Zo kwam hij in puntenaantal uiteindelijk gelijk met Noordhoek: 5 uit 9. Ikzelf had de frustrerende ervaring van het net-niet. In gewonnen posities tegen sterkere spelers tastte ik een paar maal mis en moest daarna in remise berusten, terwijl ik in mindere stellingen de remise binnen handbereik had en dan toch weer verzaakte. Met 4 uit 9 ben ik niet tevreden, ik had minimaal een half punt meer moeten halen. Eggink greep in een paar partijen fabeltastisch mis, maar wist ook voor een enkele pyrotechnische prestatie te zorgen die goed voor hem uitpakte: 3½ uit 9.

Aangezien de partijen –alle partijen- nog dezelfde avond in een database werden ingevoerd door enkele slaafjes van de toernooileiding kon heel het schakend volk precies bekijken wat de tegenstander van de volgende ronde zo al had uitgespookt. Noordhoek kwam dat op opmerkingen te staan omtrent zijn gebruik van een extreem dubieuze variant van het Italiaans. Hij beloofde schuldbewust beterschap, maar ik geloof daar natuurlijk niets van. Anderzijds bleven zwakkere opponenten maar proberen zijn Aljechin te kraken, wat niet lukte. Toen een jonge tegenstander een kwaliteit weg blunderde, viel onze ideale schoonzoon tijdens de analyse uit zijn rol en gedroeg zich als een Dutch Uncle. Als U weten wilt wat dat precies inhoudt moet U maar even een woordenboek raadplegen. Overigens vielen de andere leden van het reisgezelschap van hun stoel toen ze hoorden dat Noordhoek op gevoel een toren geofferd had. Dream on man, dream on! Maar het was waar!

Bannink kreeg opvallend veel schapenopeningen tegen zich. Dat pakte tegen zwakkere tegenstanders goed uit, maar een grootmeester als de Schot McNab wist desondanks toch stoute dingen te doen met Bernards koning. Baas boven baas.

Alles bijeen was het geen onaardig toernooi, maar Glasgow hebben we nu wel gezien. De regen daar ook trouwens. Volgend jaar toch maar weer op naar zonniger oorden op het Europese vasteland!

Scroll naar boven