Tijdens de KNSB-wedstrijd van 24 november j.l. gebeurde het me weer eens. Ik kreeg met Wit de onderstaande stelling op het bord en mocht mijn vijftigste zet doen. Als ik de beste zet had gedaan, dan zou mijn tegenstander vermoedelijk direct hebben opgegeven. Zo’n type was hij wel, denk ik.

Maar ik deed niet de beste zet, slechts een normale waarmee ik “niets liet aanbranden”, maar het momentane voordeel wel volstrekt teniet deed. Het belang van de partij was groot, want het was inmiddels 3½ – 3½ en dus hingen de spelers van Sas en van Promotie rond mijn bord als vliegen rond een paardenvijg. Ik won negen zetten later alsnog.
Onmiddellijk na de partij vertelde iemand me dat ik op de vijftigste zet het mooie en dodelijke …. had kunnen doen. Op dat moment was ik blij met de overwinning en ik gaf ruiterlijk toe dat de zet niet bij me opgekomen was. Allerwegen werd beaamd dat winst op dit moment het belangrijkste was en niemand schold mij de huid vol. Maar later ging er toch iets knagen…
Toen ik in de zomer met Henk, Gerhard en Bernhard in het vliegtuig naar Glasgow zat, was eerstgenoemde bezig met een ongetwijfeld grondig Duits boekje vol tactiek-opgaven. Henk is verstandig en consciëntieus in die dingen en in de laatste vijf jaar duidelijk sterker geworden – is er een verband? Ik zou ook meer aan tactiek moeten doen. Nu beperkt zich een en ander vrijwel tot de wekelijkse opgave van Hans Ree in de NRC en voor die opgaven heb ik vrijwel nooit meer dan een paar minuten nodig – hooguit.
Even zo goed…er blijft volgens mij een probleem. Tijdens een wedstrijd waarin het erom gaat en de klok verder tikt (tegenwoordig nog slechts in figuurlijke zin) en de spanning hoog is, moet je tactische wendingen en de motieven waarop ze gebaseerd zijn vooral snel zien. Welnu, ook zonder dagelijkse tactische oefening had ik natuurlijk de dodelijke Zwickmühle op g7 onderkend. Wie niet? zou ik bijna zeggen. Maar waarom had ik dan in vredesnaam de mooie en eenvoudige zet … gemist? Ik vermoedde wel dat mijn tegenstander aan de rand van de vulkaan stond, maar waarom had ik dan niet gezien hoe ik hem erin moest flikkeren? Tactiek-opgaven brengen wel allerlei ideeën, maar conditioneren ze je ook om naar spannende zetten om te zien? Of werkt de spanning van de wedstrijd in de hand dat ik, beklagenswaardige grijsaard, blijf vastzitten in positionele patronen? Neen, neen, ik mag mij hier niet bij neerleggen. En beklagenswaardig wil ik al helemaal niet zijn. Neen kwaadaardig, dat is veel beter. Dat moet het worden. “Het kwaadaardige oudje van SV Promotie”. Weet u wat? Ik ga alvast naamkaartjes laten drukken met dit opschrift. Bloedrood, dat spreekt.
Enne, u ziet toch hopelijk wel onmiddellijk welke zet wit hier moet spelen?
