Voor columnisten is de maand januari uitzonderlijk vruchtbaar geweest. Voor schaakcolumnisten al helemaal, met dat mooie Tata-toernooi. Ondanks het feit dat ik dagelijks met genoegen naar de live-stream beelden heb gekeken zal ik het niet over dit toernooi hebben.
Afgelopen januari is voor ons Europeanen zonder twijfel de maand van Charlie Hebdo geworden. Columnisten en politieke commentatoren hebben de gebeurtenissen van 7 januari al ruimschoots aangegrepen om hun verontwaardiging over hun lezerspubliek uit te strooien. Dat kon natuurlijk niet uitblijven. Hier wil ik er ook iets over zeggen. Huh? Hoezo dat? Wat heeft dit in vredesnaam met ons edele spel te maken?
In nummer 51-3 van de Promoot, een uitgave van ons clubblad van maart 2003, stond ik stil bij het vertrek van Hans Meijer in zijn hoedanigheid van (mede)redacteur van het clubblad. Een alinea van dat stuk luidde aldus:
“Tenslotte heeft Hans ook nog een mooie taak vervuld als Hoofd Censuur. Hoewel het altijd een principe van de redactie is geweest en gebleven dat censuur moet worden voorkomen zijn er in alle jaren twee stukjes geweest waarin de redactie heeft ingegrepen. Een van die stukjes was van mij…”
Die laatste zin, daar gaat het om. De aanleiding was een stuk – ik kan het in mijn papieren archief helaas niet terugvinden – waarin ik de zinsnede schreef ….”Dit kan God niet gewild hebben.”…., een uitdrukking die ooit door de onvolprezen Donner werd gebezigd en als zodanig ook begrepen diende te worden. Tussen haakjes: misschien kan onze Donner-kenner Gerhard Eggink meteen vertellen in welk stuk dat was, ik kan ook dat niet zo gauw terugvinden in “De Koning”.
Enige tijd na verschijning kreeg ik te horen dat er een boze brief bij het bestuur van de vereniging was binnengekomen van de fundamentalistisch-christelijke vader van een van de juniorleden van de vereniging. De brief heb ik nooit te zien gekregen, maar de strekking was dat het geen pas gaf om de naam des Heren op deze manier te gebruiken. Het toenmalige bestuur schoot meteen in een kramp en er werd een verontschuldigende brief naar de fundamentalist gestuurd. Daarin verstoutte zich degene die belast was met schrijven ervan te melden dat schrijver MN het boetekleed aantrok … blablabla. Ook deze brief heb ik nooit gezien, maar dat die zinsnede erin stond weet ik van de schrijver zelve. Ik had flink de ziekte in over de ellendige lafheid van het bestuur, en ook omdat ik natuurlijk helemaal geen boetekleed aan trok, waarom zou ik? Op dat moment heb ik overwogen mijn redacteurschap neer te leggen en ook nooit meer iets voor het clubblad te schrijven. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. Maar in een later stukje zag ik dat een religieus geladen woord door mijn mederedacteur veranderd was in “het Lot”. Hier zien we dus een voorbeeld van zelfcensuur – namens het toenmalige bestuur – zoals dat dus ook in het schaakleven scheen (schijnt?) te kunnen voorkomen. Religieuze gevoeligheden van een buitenstaander, die de context ook nog eens niet begreep, werden belangrijker gevonden dan de artistieke – ahum, maar dat is het wel – vrijheid van de scribent. Uiteraard begrijp ik wel waar de schijterigheid van het toenmalige bestuur vandaan kwam: angst dat het juniorlid door zijn geborneerde pa van de club werd gehaald en de inkomsten zouden dalen. Zo platvloers was het natuurlijk.
Het is stellig bij dit ene incident – lang geleden – gebleven, maar in het licht van de discussie zoals die dezer dagen weer wat nadrukkelijker wordt gevoerd is het goed om stelling te nemen tegen zelfcensuur, zelfs als het maar om een schaakblaadje gaat.
