Hoe groot is de kans dat als je vier columnisten bij elkaar zet, er een getallenfreak bij zit, een tweede een jubileumfreak is en een derde een jaartallenfreak? Niet zo heel groot, zou je denken. Maar de zaak komt er anders uit te zien als al deze columnisten bij een schaakclub zitten.
Hans Meijer heeft er een hobby van gemaakt om zich met problemen uit de (schaak)combinatoriek bezig te houden. Niet per se gemakkelijk, maar het gaat nergens over.
Theo Mooijman weet nog wanneer hij zijn honderdste singletje aanschafte en idem CD en vindt dat nog interessante feiten ook. Tja.
Schrijver dezes heeft iets met jaartallen. Ook niet geheel fris natuurlijk, maar deze afwijking levert soms nog wel zekere vergezichten op, vooral als je een paar dingetjes met elkaar kunt combineren.
Datum 10 juli. Op 10 juli 1584 werd Willem de Zwijger vermoord. Precies 300 jaar later, dus op 10 juli 1884 stierf schaakicoon Paul Charles Morphy, bij het nemen van een bad. En op precies diezelfde dag werd ook mijn schoon-grootvader geboren. Drie keer raak, met een persoonlijke noot als toetje. Deze jaartallen”combinatoriek” is natuurlijk onbenullig, maar is het volgende voorbeeld dat ook?
Onlangs schreef Ferdi Sieben in het clubblad van Promotie over zijn eerste schaakboek en welk belang dat boek voor hem had gehad. Vervolgens vroeg hij of ook andere clubleden iets over hun eerste schaakboek kwijt wilden.
Welaan dan. Mijn eerste schaakboek was “Volledige handleiding voor het schaakspel” van Dr. M. Euwe. Tiende druk,1967. Zoals in alle serieuze boeken staat er “een woord vooraf” in. Wat onlangs mijn aandacht trok was de ondertekening daarvan: Amsterdam, 1 november 1937. Plaats en jaar triggerden iets bij me. 1937 was immers het jaar waarin Euwe zijn wereldtitel verdedigde tegen Aljechin. In het boek “Max Euwe” van Alexander Münninghoff wordt er een stevig hoofdstuk aan deze, voor Euwe zo ongelukkig verlopen, match gewijd. Altijd leuk om dat boek ook maar even open te slaan. Wie weet komt die eerste november er in voor. En ja hoor, op blz. 274 staat er: “De twaalfde partij (1 november in Amsterdam; Aljechin werd op deze dag vijfenveertig jaar) ………..”. De matchpartijen werden ’s avonds gespeeld in verschillende steden door heel het land. Dat zal wel met de matchfinanciering samengehangen hebben. Op die eerste november 1937 werd er in Amsterdam gespeeld. Dus had Euwe, zelf woonachtig in de hoofdstad, gedurende ochtend en middag inderdaad alle tijd om zoiets te doen als het schrijven van een voorwoord voor zijn leerboek, rustig en weloverwogen formulerend. Tenslotte hoefde hij die avond alleen nog maar een potje te schaken om het wereldkampioenschap.
Plotseling kwam er nog iets anders bij me boven drijven: een televisie-interview – eind jaren 60 of het prille begin jaren 70. Interviewer Godfried Bomans stelde Euwe de vraag wat hij zou doen als hij wist dat hij nog maar een uur te leven had. Het antwoord – hopelijk speelt mijn geheugen me hier geen parten – was verbijsterend: “Mijn administratie afhandelen.” Beide episoden zeggen iets over Euwe. Volgens mij was hij een ijskonijn.
En dit alles naar aanleiding van een plaatsnaam en een datum onder het voorwoord van mijn eerste schaakleerboek. Jaartalletjes en hersenspinseltjes: een kinderhand is gauw gevuld.
