Op 12 juni jongstleden las ik op de BBC website dat 26 sportbonden hebben geopteerd voor deelname aan de Olympische spelen van 2020 in Tokyo. Gastlanden kunnen sporten nomineren voor (eenmalige) deelname. Op 22 juni werd bekend dat de lijst is terug gebracht naar acht sporten:
honkbal/softbal, bowling, rolschaatsen/rolhockey, squash, surfen, klimmen, karate en wushu (kung-fu). In augustus 2016 zal beslist worden welke sporten worden toegelaten. Bij het samenstellen van de lijst speelt zonder meer de populariteit in het gastland een grote rol, vandaar dat karate en Wushu er op staan. Dat alles moet dan binnen twee kaders een plaats krijgen. Het totaal aantal deelnemers mag de 10.500 niet overschrijden en het aantal klassementen is maximaal 310. Meer nieuwe sporten kan dus inhouden dat andere sporten een beetje moeten inschikken.
Op de eerste lijst stonden naast een aantal mij totaal onbekende sporten, twee zeer opvallende aanvragers: bridge en schaken. Voordat een sportbond zich kan aanmelden, moet hij zich eerst afvragen of aan de criteria wordt voldaan. Populariteit, mondiaal beoefend, transparant en eerlijk en een goed geleide bond, dat zijn ze. Het zal niet verbazen dat de FIDE meende ook de hordes drie en vier glansrijk te kunnen nemen, al zal menigeen daar wat genuanceerder over denken. Maar ach, de FIFA, levert ook de voetbalsport aan en vergeleken met de voetbal-officials steken de schaak-bazen op de corruptie-ladder toch wel wat bleekjes af. En hoe schoon zijn de handen in een Olympisch comité, in een wereld waar nog meer geld in omgaat?
Schaken blijft echter steken en haalt de tweede ronde niet. Wat zou er mis kunnen zijn gegaan?
We beginnen met Nakamura, die had gewoon Japanner moeten blijven. Maria Sjarapova woont al vanaf haar achtste in de Verenigde Staten, maar is, heel verstandig, gewoon Russin gebleven. Japan heeft nu geen medaille-kandidaat in de schaaksport in huis, dus waarom zouden ze?
Nakamura was twee jaar toen zijn Japanse vader en Amerikaanse moeder emigreerden en derhalve kunnen we het hem niet aanrekenen. En daar bij, wie had kunnen voorspellen dat schaken ooit aangemeld zou worden als olympische sport?
Het tweede punt is dat schaken niet televisiegeniek is. Het schouwspel is niet aan het grote publiek te verkopen tenzij er alleen met een moordend speeltempo gespeeld zou worden. In het rond vliegende stukken, tijd-overschrijdingen, op gezichten leesbare wanhoop, dan is er iets te beleven.
De schaaksport mag zich al drie decennia verheugen in het fenomeen ‘chess-babes’. De ene na de andere fotogenieke schaakster bestormt het firmament en dat genereert – het moet gezegd – journalistieke belangstelling. Omdat in alle sporten vele vrouwelijke deelnemers als aantrekkelijk kunnen worden betiteld, is dat niets bijzonders meer.
Ten derde is schaken een sport die zo’n beetje het verst weg staan van de basis van de Spelen. We noemen schakers nog steeds geen atleten, de lichamelijke vaardigheden spelen geen alles bepalende rol. De sterke punten van het schaken, er zijn mondiaal zeer veel beoefenaars en het kan op hoge leeftijd nog beoefend worden, compenseren de minpunten niet.
Wat mij nog bezig houdt is de vraag: waarom heeft de FIDE geopteerd voor de zomerspelen?
Schaken is toch ook een wintersport? Te midden van een hele serie saaie wintersporten valt schaken minder uit de toon. Voor de hele wereld (behalve Nederland) is bijvoorbeeld de tien kilometer schaatsen dodelijk saai. Een eindeloze serie rondjes. Daarbij vergeleken kan een van goed en deskundig commentaar voorziene reportage van een aantal tegelijk gespeelde schaakwedstrijden heel wat spannender zijn voor hen die kunnen schaken. En laten we niet vergeten: het aantal schakers is zeker zo groot als het aantal wintersport-beoefenaars. Grote aantallen, daar houden de adverteerders van.
