Goud van Oud

De veelheid van toernooien en de snelheid van communicatie zijn heden ten dage zodanig dat het schrijven van toernooiboeken of zeer uitgebreide verslagen een hopeloze exercitie is geworden. Dat is wel jammer, want het verleden heeft ons op dit punt veel moois opgeleverd. 

Naar aanleiding van het Stauntontoernooi in Groningen in 1946 werd een fraai toernooiboek geschreven door Euwe en Kmoch. Met een hoofdstuk hoe het tot dit toernooi was gekomen, een hoofdstuk waarin elk van de spelers werd voorgesteld aan de lezer en een verslag van alle ronden met alle partijen. Die partijen werden ook nog eens kort geanalyseerd. Het is dan ook een kloek boek geworden, duidelijk bedoeld voor nauwgezette bestudering.

Het toernooiboek van het AVRO schaaktoernooi uit 1973 was al een stuk kleiner. En journalistieker. Dit geldt eens te meer voor het boekje dat Hans Böhm en Jan Mulder schreven over de “Wereldtweekamp” Schaken van 1985. De rol van Jan Mulder was duidelijk: zorgen voor de luchtige stukjes, het ging duidelijk niet alleen meer “om de zetten”.

Naast deze toernooiboeken waren er ook krantenverslagen. Belangrijk, maar minder diepgravend. Die krantenverslagen zijn inmiddels ook dood of op sterven na.

Een “tussenvorm” is het verslag dat N.W. Van Lennep – een schaker van meestersterkte –  schreef naar aanleiding van het toernooi in Hastings, 1895. Het was bedoeld voor “Het Tijschrift” het orgaan van “den Nederlandschen Schaakbond”. In dit verslag volgt van Lennep een methode die lijkt op die van het toernooiboek van Euwe en Kmoch, maar dan met meer oog voor het persoonlijke detail. Zo meldt hij over von Bardeleben: “…Hij speelt schaak om den broode, niet om de bekoorlijkheid van het spel zelf. Wanneer hij een slechte stelling heeft, geeft hij er de voorkeur aan de partij “door tijdsoverschrijding” te verliezen …..Hij is het spoedig zat. Daarbij komt nog, dat meneer Curt in zijn jongelingsjaren wel wat al te veel aan Wijntje en Trijntje geofferd schijnt te hebben,….Zonder deze zedelijke en lichamelijke afgeleefdheid zou von Bardeleben het ongetwijfeld verder brengen…”. Het leest heel fris, al is het moralistisch. Een inkijkje in het schakersleven biedt van Lennep in een andere passage: “Men bewondert een Steinitz, Blackburne, een Tchigorin, men juicht hen toe, ja men heeft eerbied voor hun energie, voor hun werk, doch daar eindigt de sympathie (cursivering MN). Men vraagt zich niet af, hoe deze lieden en hunne gezinnen aan den kost komen. In werkelijkheid is het schakersberoep een zeer armoedig en ellendig beroep. Hij, die zich eraan waagt, offert zijn leven op aan een ideaal, aan een spel. Hij leeft van den eenen dag op den anderen, en hangt af van de goedgeefsheid der schaakminnende  gemeente. Hij behoort tot de fatsoenlijke bedelaars…” Maar deze passage is niet slechts een inkijkje in het schakersleven – min of meer geldig tot op de huidige dag voor het gros van de beroepsjongens – het geeft in zijn oordeel aan hoezeer ook hij, de schakende jonkheer, de opvattingen van zijn tijd deelde. Dit wordt nog duidelijker in zijn bespreking van het “Ladies’ Tournament”, dat in de laatste week van het toernooi werd gehouden. Met behulp van strategisch geplaatste uitroep- en vraagtekens zet hij de dames neer als wat wij tegenwoordig randdebielen zouden noemen en ook hier weer de tijdgeest: “… Ik wil hier de kwestie niet bespreken, of het schaakspel een geschikte uitspanning is voor dames; zoveel is zeker, dat bij verreweg de meerderheid der 20 vrouwelijke deelnemers de kennis van het spel zich tot de loop der stukken bepaalde en zelfs in sommige gevallen niet eens zoover reikte…”

Het toernooi heeft in elk geval een beroemde partij opgeleverd, de schitterende partij Steinitz-von Bardeleben, met die duvelslange combinatie. “Deze partij is zeker de mooiste der tot dusver gespeelde en Steinitz volkomen waardig”. Het is van Lennep niet ontgaan. Des te merkwaardiger is het, dat hij het partijverloop niet correct vermeldt. In het verslag eindigt de partij met 35 Dd6 mat, maar von Bardeleben had de toernooizaal reeds verlaten na 25 Th7x+, geheel in lijn met het gedrag dat eerder door van Lennep was beschreven. Het enthousiasme over de combinatie – direct na de partij door Steinitz getoond – had het hier gewonnen van journalistieke accuratesse.

Als u ooit nog een exemplaar van dit verslag tegenkomt, zoals (her)uitgegeven door Andriessen in 1978, schaf het aan, want het is waarlijk Goud van Oud!

Scroll naar boven