[1] door Manuel N:

Deze stelling is voorgekomen in een partij die ik onlangs heb gespeeld. Ik had wit – dat zeg ik er graag bij.
De damevleugel van zwart maakt een sprookjesachtige indruk. Lang heeft er een witte toren op a5 gestaan waardoor zwart met zijn paard niets en met zijn loper en toren bitter weinig kon aanvangen. En ondertussen op de andere vleugel….
Toen het moest, haalde ik mijn toren van a5 naar a1 en toen naar h1 met dit resultaat.
Elke schaakstelling is na zo’n 30 zetten uniek, maar sommige zijn nog unieker dan andere…
[2] door Rob de V:

In een ‘huiskamerpartij’ kreeg ik met zwart deze stelling, met wit aan zet. De computer geeft aan dat wit hier 1. Lxg6+ moet spelen, hetgeen remise zou opleveren (waardering 0.0). Als zwart antwoordt met 1. … Dxg6 of met 1. … Kxg6 wint wit zelfs (respectievelijk +8.6 en +3.8); de juiste zet voor zwart is 1. … Kg7!
Wit speelde echter (niet geheel onlogisch) 1. Tf3, en verloor als volgt. 1. … Tc1+, 2. Kh2 Dxh4+, 3. Th3 (enige zet). Nu kan de zwarte loper de witte toren slaan (3. … Lxh3), maar ik aarzelde even: was dit wel goed? Heeft wit nu geen eeuwig schaak met Db7+, Db8+ etc.? Ik heb deze stelling later aan verschillende sterke clubgenoten laten zien, en sommigen dachten inderdaad dat het eeuwig schaak is. Maar niets is minder waar: het schaak duurt slechts één zet, en dat is niet bepaald eeuwig… De grap is dat de loper van h3 het schaak kan opheffen door terug te gaan naar d7, waarna wit zelfs mat staat! Hoezo eeuwig schaak? (Gelukkig kwam ik in de partij op tijd ook tot die conclusie…)
