(Rob de Vries)
In de derde periode van de interne competitie speelde in groep 2 een flink aantal sterke spelers die normaal gesproken groep 1 bevolken (Blankespoor, Boerkamp, Eggink, Minnema, Mostert, Tan). In de laatste ronde speelde een “reguliere” groep2-speler (laten we hem “speler2” noemen) met wit tegen zo’n gedegradeerde groep1-speler (laten we die dan “speler1” noemen).
In deze stelling (zie diagram) had wit (speler2, die een stuk tegen een pion achter stond maar 2 verbonden vrijpionnen had) 28. Tfb1 gespeeld, waarna hij zich afvroeg of dat eigenlijk geen fout was: kon zwart nu niet 28. … Txc6 doen? Kon wit dan wel of niet terugslaan met 29. bxc6? Er zou volgen 29. … Dxb1+, 30. Txb1 Txb1+, 31. Df1 Txf1+, 32. Kxf1. En dan kon zwart de pionnen stoppen (bijvoorbeeld 32. … Ld6, 33. a5 Pd4, 34. a6 Pb6.)
Nog tijdens deze overdenkingen speelde speler1 met een gezicht van “daar-is-ie-dan” 28. … Txc6. Waarom zou je het ook zelf uitrekenen, dat doet de tegenstander wel… Nu had wit de keuze tussen opgeven of een oplossing verzinnen. Dat laatste bleek niet heel moeilijk: 29. a5! Er volgde 29. … Dc7, 30. bxc6 Dxc6, en nu had wit een kwaliteit gewonnen in plaats van een paard verloren.
Speler1 verklaarde na afloop dat hij de zet 29. a5 ook wel had gezien, maar dat hij niet had verwacht dat “iemand uit groep 2” dat ook zou zien!? Ik (pardon, speler2) legde uit dat het eigenlijk de enige zet was, en dat ze die zelfs in groep 2 nog wel kunnen vinden…
[ De rest van de partij wordt U bespaard; speler2 kreeg tijdnood en blunderde (alsnog), waarna speler1 er enigszins opgelucht met het punt vandoor ging. ]
