Aambeien

Onlangs nam in Stadskanaal de adjunct-directeur van de Intergemeentelijke kredietbank afscheid. Dat gebeurde een beetje tegen wil en dank. Hij wilde eigenlijk niet weg. De regeringsplannen om iedereen tot het 67e levensjaar te laten werken (en premies laten betalen, daar gaat het meer om) komen voor hem te laat. In september zal het doek vallen: ontslag vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Omdat medewerkers tegenwoordig over oceanen van verlofdagen beschikken, was het begin mei al zover. De laatste werkdag. Lol in het werk is mooi, maar verlofdagen weggeven dat ging ook hem te ver. Zo’n laatste dag is echt een dag om tegen op te zien als je zo graag aan het werk wil blijven. Want dat wilde hij. Aanvragen van leningen beoordelen, de boekhouding controleren en wat leiding geven, het is zijn lust en zijn leven. Altijd goed gemutst met pretoogjes en een stem die veel humor veronderstelde. En dat was niet anders, op deze laatste dag. Mijn aanwezigheid berustte op het feit van mijn lidmaatschap van het Algemeen bestuur van de bank. En dat heeft weer te maken met het zijn van lid van de gemeenteraad. In het begin zag het er naar uit dat we hier een standaard ambtelijk afscheid zouden beleven. Nadat het etablissement was volgestroomd speechte de directeur zich in stevig tempo door de carrière van de ‘gelukkige’. Met duidelijke stem en soepele lichaamsbewegingen, Een professional op dit terrein, zo gezegd. Hij hield de aandacht ook vast door halverwege over te schakelen op een andere vorm. “Ik ga niet vertellen dat hij een fantastische collega was”, “ik ga niet vertellen dat hij punctueel en plichtgetrouw zijn werk deed”, “Ik ga niet vertellen dat, enz.”. Na deze storm en een serie enveloppen met inhoud die soepel in de binnenzak van de afscheidnemer verdwenen, was de beurt aan de wethouder. “Ik heb met de vorige spreker afgesproken dat hij zich bij het verleden zou houden”, opende hij. “En ik zal mij op de toekomst richten”. De aanwezigen, wat ingezakt door het voorgaande geweld, veerden op. Het verleden kenden we wel, maar de toekomst? “Onze vertrekkende adjunct is een schaakliefhebber”, kregen we te horen, “en ik ben dat ook zoals jullie wellicht weten. En daarom heb ik voor hem een serie limericks gemaakt met als onderwerp onze gezamenlijke hobby, het schaken”. Ik vond het nogal een waagstuk, het publiek een serie gedichtjes voorschotelen over schaken. En wat zou daar over de toekomst in moeten zitten?
Dat werd ons duidelijk in het slotstuk:

 Er was eens een directeur in gemeentelijke bankzaken, die onlangs riep: 'het is tijd om af te haken'. Want het is crisis met de kredieten, Er valt in dit huis niet meer te genieten.  Vanaf die dag ging hij alleen nog maar schaken. 

Na negen limericks die slechts voor schakers goed te begrijpen waren, had de spreker zijn gehoor weer bij de les, én ontvankelijk voor het bovenstaand slotdicht, met de volgende ondeugende ontboezeming.

 Er was eens een kalief uit Bagdad, Die schaakte met zijn blote gat op een badmat. Zijn motief zette hij uiteen in een brief. Hij schreef: "Voor een kalief geeft dat veel gerief en bij ons in Bagdad, mag dat"!

Scroll naar boven