Wie een schaakclub in stand wil houden moet aan ledenwerving doen. Doordrongen van deze eenvoudige waarheid heeft het bestuur van onze vereniging onlangs een lumineus idee opgevat. Ga met een tuinschaakspel op een strategische plaats in een groot tuincentrum staan om aandacht te trekken, zorg dat je flink wat flyers bij de hand hebt, zorg dat er ook op normale borden geschaakt kan worden en wie weet….
Op Pinksterzaterdag werd het idee omgezet in de daad. Toen ik om een uur of half twaalf aankwam zag ik dat een aantal heren van onze club druk in de weer was met het tuinschaakspel. Misschien hadden ze daarbij iets minder oog voor het eigenlijke doel, want terwijl de genoemde heren elkaar op het schaakbord aan het vermoorden waren, kwam er een gestage stroom bezoekers langs, bezoekers die niet door de onzen werden “lastiggevallen”. De onzen leken het flyeren een weinig vergeten te zijn. Achteraf denk ik dat daar wel een excuus voor bestond. Interactie moet van twee kanten komen en daar zat overduidelijk een klein probleempje.
De meeste bezoekers liepen straal langs onze heren, anderen keken ietwat meewarig naar het tafereel zonder ook maar enigszins de pas in te houden. Het merendeel van de bezoekers bestond uit stellen, al of niet uitgeblust, al of niet vergezeld van extreem jonge kinderen. Pa en moe willen wat plantjes inkopen op deze vrije dag en Jantje van drie moet dan mee. Maar Jantje van drie is vooralsnog geen doelwit voor ons en de voorbij trekkende ouders….zo te zien ook niet echt. Het werd me snel duidelijk dat het winkelende publiek niet bepaald de ideale doelgroep vormde. Nochtans waren er een paar stellen met een koter of koters van de juiste leeftijd (gehanteerde ondergrens: vijf a zes jaar), koters die het aparte tafereel nieuwsgierig opnamen. Dan werd er door de onzen wel degelijk werk van gemaakt. De flyers werden door de ouders meestal zonder tegenspartelen in ontvangst genomen. Nu maar hopen dat zulks niet puur uit beleefdheid geschiedde.
Ik geloof dat ik de enige was die een jongeling tot een partijtje schaak (veelzeggend op een normaal bord, niet op het tuinschaakspel !) kon bewegen. Hij vertelde dat hij op school schaakles had (gehad?) en dat hij beter wilde leren schaken. Na ons partijtje vertelde hij enthousiast tegen zijn moeder dat hij het langer had volgehouden dan hij had verwacht. Daar was overigens wel een reden voor, maar die weet ik alleen. Misschien weer een nieuw jeugdlid, ook al is het waarschijnlijk geen Robby 2.0?
Een oudere heer bleef wat bij het tuinschaakspel staan talmen en op een of andere manier kwam hij met onze Tox in gesprek. Het bleek dat de beide oudjes zo’n slordige veertig jaar geleden de degens hadden gekruist. Tox merkte psychologisch heel verstandig op dat hij zich kon herinneren dat hij ’s mans naam nog in een van zijn notatieboekjes had staan. Kijken of het gewerkt heeft.
Alles overziende moet ik de dag vooral classificeren als een dag “aapjes kijken”. De fundamentele vraag is dan natuurlijk wie de kijkers zijn en wie de aapjes. Als u het bovenstaande aandachtig heeft gelezen weet u hoe ik die vraag beantwoord.
