Toen ik op Tweede Kerstdag het Groningse universitaire sportcomplex binnenkwam om me voor de jaarlijkse mini-toernooien te melden, stond Silvio er weer met zijn boeken. Of ik nu naar Dresden ga, Oberwart of Groningen, Silvio is present. En bijna altijd koop ik een boek bij hem. Dit keer zag ik het grote standaardwerk van H.J.R.Murray liggen, A History of Chess uit 1913. Ik kon de verleiding niet weerstaan en kocht het. Het is een geleerd boek, waarin de Indiase wortels van het schaakspel genadeloos (huh?) blootgelegd worden. Maar het is ook een boek dat je niet in een ruk van A tot Z uitleest. 900 pagina’s. Op Oudejaarsdag zat ik er in te bladeren, met een kater van hier tot Malaga omdat ik in Groningen niet best had gespeeld. Ik zocht afleiding en ik bewonderde de werklust en het doorzettingsvermogen van de man die dit megaproject had durven beginnen en die het tot zulk een mooi eind had gebracht. In een artikel voor het clubblad zal ik daarover meer schrijven, maar nu zal ik me bepalen tot een merkwaardige “ontdekking”. Op pagina 845 schrijft Murray over de opkomst van het schaken in koffiehuizen in Parijs en Londen. Het koffiehuis Slaughter’s in St. Martin’s Lane in Londen wordt genoemd op de volgende pagina en dan vertelt hij wie daar allemaal frekwenteerden: ” ……Dr. Cowper, Mr. Cargill, Mr. Salvador, Captain Bertin, Philip Stamma, and Abraham de Moivre (B. 1667, D. 1750), the mathematician, who lived for nearly thirty years on the petty sums he made at Slaughter’s by chess.” Ik zat vlakbij de kerstboom. Toen ik de laatste zin gelezen had, zag ik vanuit mijn ooghoek een engeltje een rare grimas trekken. Vervolgens zag ik de laatste zin dansen voor mijn ogen, terwijl de afzonderlijke letters een lange neus naar mij trokken. Wat was hier aan de hand? Zat er iets in mijn appelflap? Was mijn laatste oliebol slecht gevallen? Tijd om op onderzoek uit te gaan. Ruimschoots voor en zeker na de herroeping van het Edict van Nantes, op 18 oktober 1685, door Lodewijk XIV, hadden talloze Hugenoten een heenkomen gezocht buiten Frankrijk. Onder hen was Abraham de Moivre (1667-1754). Hij had niet voor de Republiek der Zeven Provinciën gekozen, zoals bepaalde anderen, maar voor Engeland. Deze voortreffelijke Hugenoot bekwaamde zich al op jonge leeftijd in de wiskunde en hoopte in Engeland op maatschappelijk succes. Maar zijn pogingen om een leerstoel te bemachtigen liepen op niets uit, ondanks het feit dat hij veel “geleerde vrienden” had (een Newton bijvoorbeeld). Een Franse prof in Engeland, het kon toen nog niet. Ook het systeem van “patronage” werkte maar matig voor de Moivre en zo was hij gedwongen in het genoemde koffiehuis van Slaughter’s aan bemiddelde Engelse heren tegen een kleine vergoeding adviezen te geven met betrekking tot het aangaan van weddenschappen. De Moivres naam klinkt in de wiskunde en meer speciaal in de waarschijnlijkheidsrekening als een klok, maar hij moest zich in leven zien te houden via deze pijnlijke vorm van “advieswerk”. Of zou ik hier zelfs van “geestelijke prostitutie” moeten spreken? Zo zat de Moivre in St. Martin’s Lane tussen de sterkste schakers van zijn tijd. Philidor zal hij beslist ontmoet kunnen hebben. Maar hij heeft vast niet met hem geschaakt, want dat zou hem geld hebben gekost, niet opgeleverd. De probabilist de Moivre was daar nooit aan begonnen! Ik denk daarom dat de typische alfa Harold Murray het allemaal volkomen verkeerd begrepen heeft. De voortreffelijke Hugenoot de Moivre probeerde inderdaad in Londens beroemdste koffiehuis te overleven, …maar niet aan de schaaktafel.