Beroemd in Liechtenstein

BEROEMD IN LIECHTENSTEIN

BEROEMD IN LIECHTENSTEIN

 

Bij een bushalte vlakbij de speelzaal in Triesen, Liechtenstein, werd ik door twee mij onbekende mannen enthousiast aangesproken. Ze wilden weten of ik de avond tevoren mijn partij gewonnen had. Zij vertelden me dat ze tussen de vele toeschouwers hadden gestaan maar vanwege het late tijdstip voor het einde van de partij weg waren gegaan. Ik was totaal verrast. Een week geleden was ik nog een volstrekt onbekende en nu was ik beroemd in Liechtenstein. Ik moest mijn supporters teleurstellen. Nee ik had niet gewonnen. Het was zelfs slecht met me afgelopen in een theoretisch remise eindspel van toren en paard versus toren. Na 122 zetten had ik een van de listen van Tsjechische meester Josef Pribyl overzien en was zes en een half uur denken voor niets geweest. Het leven van een schaker kan hard zijn.

Tijdens de eerste ronde van het 18de Internationale Schaaktoernooi van het Vorstendom Liechtenstein dacht ik even dat ik al tegenover Josef Pribyl zat. Mijn tegenstander was echter zijn zoon Fide meester Martin Pribyl met wie ik een boeiende partij speelde.

J.W. Meijer – M. Pribyl (Liechtenstein Open 2000)

1.d4 Pf6 2.c4 g6 3.Pc3 d5 4.Pf3 Lg7 5.Lg5 Pe4 6.cxd5 Pxg5 7.Pxg5 e6 8.Dd2 h6 9.Ph3 exd5 10.Pf4 Hier beveelt Jonathan Rowson in zijn schitterende boek Understanding the Grünfeld (1999) 10.De3 gevolgd door 11.Pf4 aan. 10…0-0 11.e3 Te8 12.Lb5 c6 13.La4 Pd7 14.0-0 Pb6 15.Lb3 Pc4 16.Lxc4 dxc4 17.Tfe1 b5 18.Tad1 Lb7 In de favoriete hoek van Henk Noordhoek.19.f3 De7 20.Pe4 Tad8 21.Dc3 Lc8 Weg uit de noordhoek. Hier faalt 21…f5 op 22.Pxg6 Df7 23.Pc5. 22.b4 Niet 22.b3 wegens 23…f5 24.Pc5 Dxc5. 22…cxb3 23.axb3 f5 24.Pc5 Df7 25.Kh1 Na Pd3 dreigt zwart met Txe3 en Lxd4. 25…g5 26.Pfd3 f4 27.Pe5 Lxe5 Na 27…Dd5 handhaaft wit zich met 28.exf4 gxf4 29.Dc1. 28.dxe5 Txd1 29.Txd1 fxe3 30.Dxe3 Df4 31.Dxf4 gxf4.

Onverwacht snel is zwart overgaan naar het eindspel. Ik had de indruk dat ik eerder iets beter stond. 32.Te1 a5 33.g3 fxg3 34.hxg3 Lf5 Zwart geeft een tempo weg. 35.g4 Le6 36.Kg2 Ld5 37.Kg3 Kf7 38.f4 Td8 Met als dreiging 39..Lb3 en 40.Td3. 39.Te3 Ta8 40.f5 a4 41.bxa4 bxa4 42.Ta3 Ta5

Moest ik hier genoegen nemen met remise? Na 43.Pb7 kan de zwarte toren niet naar b5 vanwege 44.Pd6. Als de toren teruggaat kan het witte paard eveneens terug en kan zwart weinig anders doen dan remise door zetherhaling te accepteren. 43.Pxa4 Een gewaagde winstpoging. 43…Lc4 44.e6 Ke7 45.Kh4 Lb5 46.Kh5 Txa4 47.Txa4 Lxa4 48.Kxh6 48…c5 Na 48…Kf6 wint niet zwart maar wit. 49.g5 Kxf5 50.e7 c5 51.g5 Kf6 52.g7 Kf7 53.Kh7 Lc2 54.Kh8 en de witte pion op g7 promoveert. 49.Kg7 Le8 50.g5 c4 51.g6 Lxg6 52.Kxg6 c3 53.f6 Kxe6 54.f7 c2 en het is voor zowel zwart als wit op het nippertje remise.

Wat ongetwijfeld sterk bijgedragen heeft aan mijn bekendheid in Liechtenstein was dat ik eerder tijdens het toernooi zowel van Renato Frick, de landskampioen, als van Andras Guller, de nummer twee van Liechtenstein gewonnen had. Achteraf kan ik me goed voorstellen dat de Liechtensteiners het fantastisch gevonden zouden hebben als ik ook mijn partij in de achtste ronde tegen Pribyl gewonnen had.

Tijdens de eerste zeven ronden van het toernooi scoorde ik vier en een halve punt. Voldoende om tijdens de achtste ronde aan het achtste bord Josef Pribyl te treffen. Tot voor kort was hij een bekend Tsjechisch meester met een rating van plus minus 2450. Mijn vijf reisgenoten spraken mij moed in. Ze verwachtten dat mijn bepaald niet lichte, zowel letterlijk als figuurlijk, tegenstander wel snel op mij zou gaan zitten. Willem Broekman had vrij kansloos van hem verloren en mij zou het wel net zo vergaan. Ik achtte me niet geheel kansloos. De avond ervoor had ik namelijk samen met Bernard Bannink enkele recent door Pribyl gespeelde partijen bekeken. Ik geef toe dat toen de naam van de ene bekende schaker na de andere op het scherm verscheen. Waarom dacht ik dat ik tegen dit kanon toch een kans had? Dat kwam door zijn verliespartijen tegen spelers van mijn niveau. Op mijn verzoek toverde Bernard deze uit de database van Willem Broekman tevoorschijn. Vanuit dat perspectief zag de situatie er voor mij veel beter uit. Het waren er niet veel maar voldoende om mij ervan te overtuigen dat ik niet bij voorbaat kansloos was.

J. Pribyl – J.W. Meijer (Liechtenstein Open 2000)

I.c4 c5 2.Pf3 Pf6 3.Pc3 Tot zover mijn voorbereiding. Ik had hier 3.g3 d5 4.b3 Pc6 5.Lg2 d4 verwacht. 3…e6 4.g3 d5 5.cxd5 Pxd5 Terugslaan met de pion zou naar de Tarrasch verdediging leiden. 6.Lg2 Pc6 7.0-0 5.Le7 8.d4 0-0 9.Pxd5 exd5 10.dxc5 Lxc5 11.Pg5 Wit dreigt met 12.Dc2 een stuk te veroveren of zwart mat te zetten. 11…h6 Nu volgt na 12.Dc2 Lxf2 13.Txf2 hxg5. Na de partij gaf mijn tegenstander aan dat hij achteraf liever 14.Dd2 met een miniem voordeeltje gespeeld had. 12.Ph3 d4 Ongetwijfeld zou deze pion ooit zwak worden. Maar zou hetzelfde niet waar zijn voor de witte pion op e2? 13.Dc2 Lb6 14.Pf4 Te8 15.Tfd1 De7 16.Ld2 Het pionoffer op c6 kon wit niet aannemen. Het zwarte loperpaar zou dan de stelling beheersen. 16…Lg4 Dreigt 17.Lxe2. 17.Tel Tac8 18.h3 Ld7 19.Pd5 Dc5 Beter lijkt 19.Dd8. 20.Dxc5 Lxc5 21.Tac1 Ld6 22.a3 Een alternatief was 22.Lxh6. 22…Lf5 23.Lf4 Lxf4 24.Pxf4 Le4 25.Lxe4 Txe4 26.Kf1 Te5 27.Pd3 Tb5 28.Tc4 Td8 29.Tecl Kf8 30.b4 a6 31.Kel Ke8 32.Kd2 Td6 33.h4 Tf6 34.a4 Td5 35.f3 Tdd6 36.Tc5 g6 37.g4 Tfe6 38.h5 g5 39.b5 Pa5 40.Tc8 Td8

De eerste tijdcontrole. Mijn tegenstander dacht geruime tijd na. 41.Txd8 Kxd8 42.Pc5 Tb6 Pribyl liet me na afloop zien dat wit na 43…Te5 44.Kd3 Te3 45.Kxd4 Txe2 46.Pxb7 Pxb7 47.axb6 gewonnen zou hebben. Zwart kan beter met 43…Te5 44.Kd3 axb5 45.axb5 voortzetten en de strijd is nog niet gestreden. De zet die ik koos kwam voor Pribyl volkomen onverwacht. Op de keper beschouwd is ze evenmin voldoende. 43.Tbl axb5 De enige zet. Er dreigde 43.bxa6 Txb1 44.a7 en deze witte a-pion promoveert. 44.axb5 Tijdens de analyse ging Pribyl regelrecht naar deze stelling. Na 44.Txb5 claimde hij winst. Dat lijkt te kloppen. "Ich spiele hier wie ein Vollidiot" hoorde ik hem zeggen. 44…Pc4 45.Kd3 Pd6 46.Tb4 Kc7 47.Kxd4 Pxb5 48.Ke3 48…Pd6 49.Ta4 f5

Ik ging koffie halen. Bij de bar trof ik Manuel Nepveu. Ik vertelde hem dat ik dacht dat Pribyl wellicht niet langer op mij zat maar ik op hem. "Ga toch weg!" was zijn verbaasde reactie en hij beende naar de speelzaal om de situatie zelf in ogenschouw te nemen. 50.Ta8 fxg4 5I.fxg4 Tb4 52.Pe6 Kd7 Wellicht geniet 52.Kc6 hier de voorkeur. 53.Pd4 Pf7 54.Tg8 Pe5 55.Tg7 Ke8 56.Ke4 Pxg4 57.Kd5 Pf6 58.Kc5 Tb1 59.Tg6 Pxh5 60.Txh6 Pg3 61.Kd5 Pxe2 Ik bood remise aan. Het eindspel van toren en paard tegen toren is theoretisch remise. Pribyl gaf te kennen dat hij nog enige zetten door wilde spelen. 62.Pxe2 Hoe maak je dit eindspel remise?

62…Tb5 63.Ke4 Kd7 64.Pd4 Tc5 65.Th7 65…Kc8 Door mijn hoofd spookte het idee dat ik wellicht met behulp van de pion op b7 een vesting kon bouwen en zo de partij eenvoudiger remise zou kunnen houden. Ik wist echter dat in dit eindspel zwart er slechts voor hoeft te waken dat zijn koning niet naar de rand gedreven wordt omdat deze daar het risico loopt mat gezet te worden. In plaats van simpel 65.Kd6 te spelen zette ik als een volslagen idioot mijn koning vrijwillig op de achterste rij. 66.Pe6 Tb5 67.Tg7 Kb8 68.Pd4 Tc5 69.Pf5 Tc6 70.Kd5 Tb6 71.Pd6 Tb1 72.Kc5 Ka7 73.Pc8 Kb8 74.Pd6 Tc175.Pc4 Ka7 76.Tg6 Tb1 77.Pa3 Tc1 78.Kb4 Kb8 79.Pb5 Tb1 80.Kc4 Tc1 81.Kd5 Td1 82.Ke6 Te1 83.Kd7 Td1 84.Pd6 Tb1 85.Txg5 Tb2 86.Td5 Ka7 87.Pc4 Ta2 88.Tb5 Ta4 89.Pd6 Th4 90.Tb7 Ka6 De laatste zwarte pion verdwijnt van het bord. Volgens de theorie is de stelling nog steeds remise. Zwart moet het vanaf hier vijftig zetten vol zien te houden. Er waren twee problemen. Het eerste probleem was dat ik niet wist welke methode ik moest hanteren om de stelling remise te schuiven. Wel wist ik dat wit soms winstkansen kan creëren. Het andere probleem was dat wit zich a tempo allerlei zetten kan veroorloven en zo tijd op de klok kan winnen. Zwart moet echter steeds op zijn hoede zijn dat hij niet per ongeluk mat gaat of met een paardvorkje zijn toren verliest. Al met al is de situatie voor zwart precair. Een geluk bij een ongeluk was dat ik ruim in tijd voorstond. 91.Tb2 Ka5 92.Kc6 Ka4 93.Kd5 Th5 94.Kd4 Th4 95.Pe4 Ka3 96. Tb7 Ka4 97.Kd3 Th3 98.Kc4 Dreigt mat in één. 98…Ka5 99.Tb8 Ka6 100.Tb1 Ka5 101.Tb2 Th7 André Chéron geeft in zijn handboek over dit eindspel aan dat zwart met 101.Th4 het witte paard moet pennen. Wit komt dan inderdaad niet verder. 102.Tb5 Ka4 103.Pc5 Ka3 104.Tb3 Ka2 105.Tb8 Th4 106.Kc3 Th7 107.Pd3 Tc7 108.Kd2 Ka3 109.Ke3 Wat is wit van plan vroeg ik me af? Had hij wel een plan? 109…Te7 110.Kd4 Td7 111.Kc4 Tc7 112.Pc5 Ka2 113.Tb5 Th7 114.Kc3 Th3 115.Pd3 Tg3 116.Td5 Th3 117.Tg5 Kb1 118.Tg1 Ka2 119.Td1 Tg3 Hier begon ik te vermoeden dat ik met mijn toren het witte paard moest blijven pennen. 120.Th1 Wit neemt de zwarte toren de achterste lijn af. 120…Tg8 Gedachteloos geef ik de penning van het paard op. Zowel na 120…Tf3 120.Kc2 Tg3 als na 120…Te3 is er weinig aan de hand. Remise is een kwestie van nog twintig zetten opletten. 121.Pd2 Ka3 122.Ta1 mat.

Ik had nog vijf minuten op mijn klok. Pribyl nog drie. Ik schudde hem de hand terwijl hij, verwijzend naar een soortgelijk eindspel dat Garry Kasparov van Judit Polgar won, zich min of meer verontschuldigde voor de gang van zaken. Ik voelde me dan wel de morele winnaar van deze partij maar wat koop je daar in het moderne schaak voor?

Die nacht sliep ik uitzonderlijk slecht. Het lukte me niet het adrenaline niveau in mijn lichaam naar een normaal niveau terug te dringen. De laatste ronde van het toernooi begon vroeg in de morgen om negen uur. Mijn tegenstander die morgen was Iraniër Ali Habibi. Een schaakmeester die tijdens het toernooi samen met zijn Duitse vrouw een van de twee boekenstalletjes bemande. Er kwam een gesloten Siciliaan in de voorhand op het bord. Het werd de kortste partij uit mijn leven. Op de achtste zet schoof ik mijn b-pion twee velden naar voren en zag dat ik na het voor de hand liggende 8…e4 een van mijn beide paarden zou verliezen. Zonder de zet van mijn tegenstander af te wachten ondertekende ik mijn notatieformulier en gaf op. Ik stond op en ging op weg van Triesen naar Vaduz. Een wandeling in de buitenlucht zou mij waarschijnlijk goed doen. Gisteren nog beroemd en vandaag een schlemiel. Het kan verkeren. Maar dit wisten mijn twee supporters nog niet. Gelukkig vroegen ze niet naar hetgeen er die morgen in de speelzaal in Triesen gebeurd was.

Triesen 2000 was ondanks deze twee fiasco’s voor mij een succes. Na Dresden vorig jaar scoorde ik ook in Triesen diverse punten tegen ratinghouders zodat ik binnenkort een Fide rating van boven de 2200 Elo punten tegemoet kan zien. Het toernooi kon helemaal niet meer stuk toen Gerhard Eggink op de laatste avond onze eigen balans opmaakte en bleek dat ik in Triesen over negen ronden het interessantste schaak van de zes musketiers uit Zoetermeer gespeeld had.

René Olthof van New in Chess was zo vriendelijk mij de partij van Judit Polgar en Garry Kasparov per e-mail toe te sturen. Volgens Dirk Jan ten Geuzendam kon men tijdens het einde van deze partij in de speelzaal een speld horen vallen. [NiC, 96-5]

Judit Polgar – Garry Kasparov, Dos Hermanas, 1996.

60.Kg4 Ke6 61.Tb5 Tg3+ 62.Kh4 Tg1 63.Tg5 Tf1 64.Ta5 Kf6 65.Ta8 Tg1 66.Tf8+ Ke5 67.Te8+ Kf4 68.Tf8+ Ke4 69.Te8+ Kf3 70.Kh5 Pg3+ 71.Kh6 Pf5+ 72.Kh7 Kf4 73.Tb8 Tg7+ 74.Kh8 Td7 75.Te8 Kg5 76.Te6 Pd4 77.Te1 Kf6 78.Td1 Td5 79.Ta1 Pe6 80.Ta6 Kf7 81.Ta7+ Kg6 82.Ta8 Td7 83.Tb8 Tc7 84.Kg8 Tc5 85.Ta8 Tb5 86.Kh8 Tb7 87.Tc8 Pc7 88.Tg8+ Kh6 89.Tg1 Tb8+ 90.Tg8 Pe8 0-1

Judit Polgar leek aan de grond genageld toen het tot haar doordrong dat ze verloren stond. Miguel Najdorf vond het weinig elegant van Garry Kasparov dat hij in een remisestelling doorgespeeld had. Judit zag geen reden dat hij dit niet had moeten doen

Hans Meijer. Uit Promotie 49-1

Scroll naar boven