Bij mijn jaarlijkse autorit naar het toernooi in Groningen, als altijd op tweede kerstdag in serene vroegte, gebeurde er iets vreemds. Al jaren heb ik een vaste route om vanaf de afslag “Groningen-Zuid” naar het naast de Martinihal gelegen hotel te rijden. Zo ook nu. Ik moet ergens links afslaan, maar dit jaar stond er aan het begin van die straat het bekende verkeersbord dat een doodlopende weg aanduidt. Ik reed gewoon de straat in, zag dat de verkeersrotonde aan het eind versperd was en probeerde een doorgang tussen hekken zoals je die gemeenlijk op bouwplaatsen aantreft. Ik constateerde tenslotte dat die doodliep, ik reed namelijk inderdaad een bouwplaats op. Een tikje vervelend was het dat de doorgang afliep en met een ijslaag was bedekt. Mijn bolide kon met geen mogelijkheid op eigen kracht achteruit. Zwaartekracht en ijzel spanden eendrachtig tegen mij samen. Geluk bij een ongeluk kwam er juist een fietser langs die wel even wilde duwen, maar uiteindelijk was er zelfs een tweede Noorderling nodig om de auto uit zijn benarde situatie te bevrijden. Het verkeersbord had natuurlijk gewoon gelijk gehad.
Die middag werd ik voor de eerste ronde ingedeeld tegen een bekende uit de Haagse regio. Ik ben op papier sterker dan hij en ik had ook nog eens wit. Er kwam een Grünfeld op het bord, maar niet de ruilvariant. De brave borst tegenover me wist het na mijn vierde(!) zet al niet meer. Na lang piekeren koos hij voor een tamelijk recente voortzetting, zij het met de overtuiging van een oorwurm. Voor de tweede keer die dag gebeurde er wat vreemds met mij. Ik reageerde hyperagressief, begon gejaagd aan volstrekt onlogische krijgshandelingen en dat ook nog eens voordat mijn koning veilig achter de paaltjes opgeborgen was. Terwijl mijn tegenstrever -zij het dan ook bij toeval- een goede variant had gekozen speelde ik alsof er onmiddellijk iets weerlegd kon en moest worden. Hij deed gedurende de hele partij echter normale, goede zetten en dat drong kennelijk volstrekt niet tot mij door. Het logische gevolg was dat mijn acties ten leste werkten gelijk dat sierlijke wapen dat door de Aboriginals uitgevonden schijnt te zijn. Mijn Haagse tegenstander heeft zowel een lagere nationale als internationale rating. Ik ben qua ratingstatus dan ook flink de pineut, het prijskaartje voor falen waarover Hans Meijer het in een recente column had.
Een verband tussen de twee hier opgevoerde gebeurtenissen kwam niet bij me op, maar toen ik weer uit het Hoge Noorden op aarde was teruggekeerd zag ik het in een flits. Ik was aantoonbaar daas geweest bij mijn eerste autokilometer in de stad Groningen en van die toestand was ik niet tijdig hersteld. De stevige wandeling in de vrieskou van het hotel naar het centrum had mij kennelijk niet “ontdaasd” en de voortreffelijke erwtensoep in “Huis de Beurs” had ook al niet geholpen. Gedurende de rest van het toernooi ging het beter met me. De partij tegen Vink -ook al uit Den Haag- en de partij tegen een Fries met de statige naam Nicolai hebben na de gebruikelijke martelsessies met Fritz en Rybka hun weg naar mijn partijenverzameling gevonden. Tegen Vink betrof het een openingsdiscussie geïnspireerd door de training van John van der Wiel. Die discussie eindigde in remise -de grootmeester zelf keek trouwens toe. Tegen Nicolai kwam er een Franse zeeslang op het bord, compleet met loperoffer en een behoorlijk hitsig toreneindspel waarin de Fries uiteindelijk mistastte. Ik mag niet ontevreden zijn. En wat die dazigheid aangaat, ik wil in het hiernamaals eventjes onder vier ogen met de kerstfazant spreken. En natuurlijk onder twee halzen met de fles rode Bordeaux…
